Geschut 1813-1840

Geschut
1813-1840




Lay-out J.C.H. Jansen

Niets van deze brochure mag worden verveelvoudigd of openbaar worden gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke wijze ook zonder de voorafgaande schriftelijke toestemming van de auteur.

OUDE KANONNEN [1]

Het is moeilijk om een directe uitspraak over het geschut of beter gezegd over kanonlopen en  schietbuizen te doen,  zeker als dit in algemene zin is. De oorzaak hiervan is, dat er tot nu toe nooit een gedegen onderzoek is gedaan naar de herkomst van de Nederlandse vuurmonden uit het einde van de 17e tot halverwege de 19e eeuw.
Duizenden van ‘westerse kanonlopen’ van allerlei soorten, typen en modellen uit verschillende tijdperken zijn als getuigen, van onze westerse beschaving over een groot deel van de wereld boven en onder water te vinden. Uitgevoerd in brons en ijzer vormen zij de vroegste voorbeelden, waarbij de mens gebruik maakt van een wapen met de specifieke toepassing van geleide chemische reactie.

De ontwikkeling van het geschut was verantwoordelijk voor de groei van de oorlogsvloten, de vorm van de schepen en de expansieoorlogen van de westerse mogendheden in de 17e eeuw. De fabricage van geschut was de eerste en enige vorm van zware industrie in West - Europa in het begin van de 17e eeuw. Het speelde een belangrijke rol in de handel en de tot stand komen van de industriële revolutie. Later vormde het geschut met zijn toch enigszins gebrekkig functioneren een uitdaging voor de wetenschap en techniek.

Geen andere technologische factor heeft zoveel invloed gehad op de staatshuishouding van de Europese Staten, waarbij het eigen bestuur met zijn organisatie en slagschip - politiek het hoogtepunt waren van de grote maritieme mogendheden in het begin van de 20e eeuw.
Het is niet overdreven te zeggen, dat kanonnen een bron vormen voor onze kennis van een deel van de west Europese geschiedenis.

De ‘Wijzen’ kwamen uit het oosten, het buskruit ook. De Chinezen bestreden in eerste instantie met een licht ontvlambaar hevig brandend onblusbaar poeder, het kaliumnitraat, de Mongolen en de Arabieren beleefden met deze ‘Sneeuw van China’ veel genoegen tijdens het beleg van Tarifa.
Het kaliumnitraat of salpeter, was in 12e en 13e eeuw in west – Europa niet bekend. Rond 1250 reisde de Vlaamse Franciscaan, Willem van Ruysbroeck naar het Mongoolse hof vanwaar hij waarschijnlijk de kennis van het buskruit mee terugnam nam. Roger Bacon zijn Engelse vriend, maakte als eerste Europeaan, van de hem doorgegeven kennis een beschrijving.
Barthold Schwarz (1295) ontdekte dat deze poeder in een gesloten buis of ‘busse’ een projectiel kon uitschieten, het ‘bussekruit’ met het kanon waren geboren. In Freiburg Duitsland, vervaardigde men in 1300 de eerste bussen of kanonnen.
De Nederlanden kregen ook hun kans. In 1351 sloegen de Kabeljauwen, die over bussen beschikten het beleg voor het Hoekse kasteel Rozenburg, zo werd dan het eerste kanonschot door Nederlanders op Nederlanders gelost.

Het kanon bleef een gebrekkig schiettuig, het vlakbaan geschut verbeterde in die zin, dat in het midden van de 14e eeuw men een technisch goed verzorgd stuk geschut had, waarbij het kruit van een gebrekkige kwaliteit bleef.
Na 1400 begon men met het geschut te gieten uit koper en brons, hoogwaardige stukken maar kostbaar. Men bediende zich hierbij van het zogenaamde “klokkenspecie”. Geen wonder dat sommige klokkengieters drukker waren met geschut gieten, dan met het gieten van luidklokken.
In 1450 waagde men zich voor het eerst aan gegoten ijzeren geschut.
In de beginfase was dit ijzeren geschut door de nog niet goede techniek van smelten, gevaarlijker voor de kanonniers dan voor de vijand.

In de 17e eeuw, de eeuw van ‘groot gebeuren’, is er een onbegrijpelijke stilstand ontstaan in de ontwikkeling van het vuurwapen. Wel verzwaarde men het geschut en verbeterde het buskruit. Voorts beschikte men over een wijd arsenaal van verschillende kogels en granaten. Het metalen bronzen geschut bleef voorlopig superieur aan het ijzeren geschut.

Utrecht bezat in de 16e en 17e eeuw een geschutsgieterij. De gieterij was zo beroemd, dat de Utrechtse kanonnen een export artikel vormden. Een vaste afnemer was Engeland. In het kasteel van Dover ligt een in Utrecht gegoten kanon
Met een lengte van 7.30 meter. Vervaardiger van deze kanonloop was de Utrechtse geschuts – en klokkengieter Jan Tolhuys, die het fraai versierde kanon in 1544 had gegoten. Het droeg de bijnaam van “Pocketpistol of Queen Elisabeth” en was een geschenk van Keizer Karel V aan de Koning Henry VIII van Engeland. [2] Een replica van dit kanon is te zien in het centrum van de vestingstad Buren

Mede door de energie van enkele Nederlanders werd in 17e eeuw in Zweden een moderne ijzer industrie ontwikkeld. Bekend waren de ijzersmelterijen van de ‘Gebroeders Trip’, die van ‘Lodewijk de Geer’ te Finspong in Oost Gothland en de Zweedse gieterij gelegen ten westen van Stockholm van ‘Wahrendorft – Aker’.
Vuurmonden werden niet alleen in het buitenland vervaardigd, maar ook in de Nederlanden. ‘s Rijks Gieterij te ‘s Gravenhage vervaardigde onder Johan Maritz in 1784 het lichte geschut, ook Enkhuizen had zijn geschutsgieterij. In Amsterdam waren de fabrieken van Coenraad Wegenwaard, in Nieuwpoort die van Pieter Hemony bekent. Deze laatste twee goten ook zwaarder geschut. Voor het zwaarste geschut was de ‘Republiek’ aangewezen op het buitenland.

Na de Napoleontische oorlogen, werden veel vuurmonden vanuit Engeland betrokken (v.a. 1830), de leverancier was hier voornamelijk de firma J.E.Walker te Gospelock en Samuel Walker & Co gevestigd te Grenoside bij Sheffield, later in Rotherham Yorkshire, in Engeland. Een en ander valt af te leiden uit de merktekens op de tappen van de kanons.

Langzaam begint de geschiedenis te verwijzen naar de kanons, waar onze huidige generatie mee wordt geconfronteerd. De ons bekende kanons, die in Zeeland en op de Zuidhollandse eilanden langs kanalen en havens dienst doen of deden als afmeerpalen, zijn de kroongetuige van de ‘industriële revolutie’.
Waarom zijn Vlissingen en Hellevoetsluis zo rijkelijk begiftigd met dit oude geschut? Rond 1971 droeg de Rijkswaterstaat aan de Dienst der Domeinen een groot aantal gietijzeren kanonnen over, die jarenlang als meerpalen dienden langs verschillende kanalen, waaronder het Kanaal door Walcheren – en Voorne.
Voor het Kanaal door Voorne waren dit alleen al:
13 kanonnen van 2800 kg.
66 kanonnen van 4000 kg.
16 kanonnen van 5500 kg.

Wat zijn en waren dit voor kanonnen? Het is gebleken dat zij een wonderbaarlijke verzameling van industriële techniek vormen. In hoofdzaak vertegenwoordigen zij de periode van het einde van de 18e eeuw tot en met het derde kwart van de 19e eeuw. Tot nu toe is het onmogelijk om al deze kanonnen te determineren, gezien het grootste deel van hen nog is ingegraven bij havens en kanalen.
Sommige exemplaren zijn blijkens hun opschrift gegoten te Luik in 1811. Zij zullen hebben behoord tot de circa 7000 gietijzeren vuurmonden die tijdens het Consulaat en het eerste Franse Keizerrijk [3] te Luik zijn gegoten voor de zeemacht en de kustverdediging van het Franse Keizerrijk.
Een deel van deze kanonnen is in de periode 1813-1815 overgegaan in de handen van het Verenigd Koninkrijk Der Nederlanden. Zij waren afkomstig van de Franse oorlogsschepen, die in 1814 uit de krijgsbuit der geallieerden werd toegewezen, of van de kustversterkingen bij Helder, Brielle, Hellevoetsluis, Willemstad, Vlissingen en de werken bewesten en oosten van de Schelde. Een aantal van deze kanonsnen zouden ook afkomstig kunnen zijn van de Bataafse en de Koninklijke Hollandse Zeemacht (1806-1810), van voor de inlijving door het Franse Keizerrijk.
Het aantal van deze kanonnen moet hoog zijn geweest, alleen al langs het Kanaal door Voorne lag dit aantal ruim boven de 100. Een onderzoek langs het Kanaal door Walcheren lijkt zinvol. In de periode 1875-1900 verdween al het voorlaad geschut, zelfs het getrokken geschut, wat een draaiende beweging aan de puntkogel in de lengterichting van de granaat gaf. In het laatste deel van deze periode, deed het snelvuurgeschut zijn intrede. Eind 19e eeuw had het Nederlandse zwaarste achterlaad geschut een kaliber van 28 cm.

Wat is een kanon? Een kanon is een schietbuis of een loop, die een projectiel dwingt een bepaalde richting te volgen. Het hart van de loop noemt men ‘de ziel’.
Het kanon bestaat uit een aantal onderdelen die ieder hun eigen naam dragen. Een kanon zonder groeven noemt men een glad of gewoon kanon, dit in tegenstelling tot een kanon met een gegroefde loop, waarin een punt projectiel een draaiende beweging om zijn eigen as krijgt.

Aan de voorzijde van het kanon bevindt zich de kop met de mond of monding, waar de lading buskruit en het projectiel wordt ingevoerd en na het ontbranden van het buskruit het projectiel wordt uitgeschoten. Men noemt dit een voorlader.
Aan de achterzijde bevindt zich het bodemstuk of kulas met de cassecabel of druif, zij maken deel uit van het systeem om de recuul [4] van het kanon met het rolpaard of affuit op te vangen. Bij lichter geschut doet zij ook dienst als stuurgreep.
Het middenstuk van het kanon is voorzien van twee tappen of spillen, waarvan de middenlijn door de lengte van de tap loopt. Deze middenlijn ligt onder de hart - of ziellijn van de kanonloop. De tappen zijn zodanig aan de loop gegoten, dat zij doorgaans enkele centimeters voor het zwaartepunt van het kanon liggen. Het bodemstuk is altijd iets zwaarder. Dit is gedaan om het eleveren (op en neer gaande beweging) te vergemakkelijken.
De tappen of spillen rusten in de tappannen, de uithollingen die in de wangen van het rolpaard [5] zijn aangebracht. Zij houden het kanon op zijn plaats.
De tap of spil werd omstreeks 1450 in de Zuidelijke – Nederlanden uitgevonden. Zij heeft zich tot op de huidige dag gehandhaafd.

De kanonloop bestaat uit drie delen. Het voorstuk tot de tappen is het mondstuk. Vanaf de tappen halverwege de achterplaat of kulas, de tweede bewapening. Het achterste deel is de eerste bewapening, hier bevindt zich ook het zundgat [6] waardoor de lading in het kanon wordt ontstoken.

Bij het Koninklijk besluit van 1817 werd bepaald, dat oude benamingen voor de kanonnen mochten worden gehandhaafd, zij het aangepast aan de nieuwe Franse afmetingen [7].
Voor bepaling van de maten en gewichten geldt nog steeds de wet van 7 april 1869 (gewijzigd 25 juli 1919).

Hier volgt een blad uit: ‘bijdragen van de sectie Militaire Geschiedenis van de Land en Zeemacht’, uitgegeven in 1900, dit om een inzicht te krijgen in wat er in de periode 1813-1840 aan geschut voorhanden was, met uitgevoerde modificaties.


Soevereine Staat der Verenigde Nederlanden
Nederlands Gouvernements
Geschut 1813-1840

19 februari 1814 Het eerste bronzen geschut wordt in Den Haag gegoten.
Nieuw model bronzen vuurmonden worden daar vervaardigd of andere gewijzigd:
M 1814 kanon 6 pond lang, was model 1773 gewijzigd.
M 1817 houwitser 16 pond no: 2* was model 1773 no: 1. (*steen)
M 1817 mortier 50 pond (steen) was model 1794 gewijzigd.

Franse kanonnen van 48 pond, worden in 1833 en 1834 opgeboord tot een kaliber van 80 pond.

30 juni 1816 oprichting van ’s Rijks IJzergieterij te Luik.
Franse kanonnen van 48 pond worden opgeboord tot kaliber van 80 pond lang en de Franse kanonnen van 36 pond tot kaliber 60 pond lang.

Model 1834 ijzeren kanon van 80 pond kort, vervaardigd in Engeland en later gewijzigd in model 1839.
Model 1839 ijzeren kanon van 60 pond kort, vervaardigd in Engeland.
M 1834 en M 1839 worden gegoten in Engeland bij de firma Samuel Walker & Co te Grenoside bij Sheffield. Later in Rotherham in Yorkshire door dezelfde firma.

Geschut Der Marine hier te Lande
en in de Koloniën

Granaatkanonnen van 60 pond, vervaardigd te Luik voor 1830
IJzeren lange kanonnen van 36 pond vervaardigd te Luik 1811
30 pond no: 1 sinds 1821 vervaardigd te Luik
30 pond no: 2 vervaardigd in Engeland 1831
30 pond no: 3 lange kanonnen van 18 pond opgeboord of nieuw gemaakt 1827

Voorts de kanonnen van 18, 12 en 8 pond, vervaardigd te Luik 1811 naar de Franse modellen van 1786.
IJzeren middelbare kanonnen van 30 pond, ingevoerd in 1838 vervaardigd te Luik of in Engeland.
IJzeren caronnades van 60 en 36 pond, vervaardigd te Luik 1811 en van 30 en 12 pond vervaardigd te Luik voor 1830.
Mortieren van 29 duim vervaardigd in Engeland of te Luik ingevoerd in 1824.
Bronzen kanonnen van 30, 12 en 8 pond.

Gegevens onttrokken aan:
Bijdragen van de sectie Militaire Geschiedenis,
J. Hoynck van Papendrecht, W.C. Staring, J.P. de Veer en F.J.G. Ten Raa



Het rolpaard of affuit
Om het geschut mobiel te maken, werden er onderstellen of wagens gemaakt op twee of vier wielen. De onderstellen met twee wielen, affuiten dienden doorgaans het veldleger, dat gebruik maakte van lichter en mobielere artillerie dan de zeemacht en de kust – of vesting artillerie, die een meer statisch karakter hadden.
De gegoten kanons met de gladde loop van marine - kust en vestingartillerie werden mede door het gewicht van de kanonloop op wagens met vier wielen geplaatst. Bij de kustverdediging werden deze wagens soms op sleden geplaatst, waarbij de wielen vervielen om de mogelijkheid tot baksen [8] te vergroten. Deze sleden of ramen maakte het mogelijk om het stuk 90º horizontaal te draaien rond het vaste draaipunt dat voor de slede was geplaatst. De slede ving tevens een groot deel van de terugslag van het kanon op.

De benaming voor deze karren of onderstellen was verschillend, dit om dat zij mondeling werden overgebracht. De meeste kanonniers en konstapels konden niet of nauwelijks lezen of schrijven, zo sprak de een van ropaarden, de ander van roppaarden of rapaarden, rampaarden en raderpaarden. Nu prefereert men rolpaarden.
De maten en de modellen van de rolpaarden waren niet altijd gelijk, zij verschilden in vorm per werkplaats die voor de werven in hun gebied werkten. Daarbij vereiste ieder scheepstype een andere afmeting qua hoogte en afmeting, in wezen was geen schip gelijk aan het ander, de scheepsvorm en de ruimte tussen de dekken speelden een rol bij de maatvoering.
Wel trachtte men daar eenheid in te brengen, door een aantal maten vast te stellen. Zo werden de dikten van de wangen, de zijstukken van het rolpaard vastgesteld op de diameter van de kogel. De loop moest hoog op deze wangen liggen voor het eleveren [9].
Dit betekende dat de tappen van het kanon zo ver mogelijk naar voren waren gebracht, boven de voorste as van het rolpaard, dit maakte het mogelijk om het kanon een ruimere elevatie of zelfs een negatieve elevatie te geven, wat belangrijk was voor het scheep - en vestinggeschut, waarbij het kanon werd gedompt.
De bodem voor deze rolpaarden kwam dikwijls te vervallen, of zij kon beperkt blijven vanwege de zware assen waarop de wangen van het rolpaard rustten.

In de 17e eeuw achtte men het beste hout voor een rolpaard het iepenhout, soms eikenhout voor de wangen maar altijd iepen voor assen en wielen.
De beide voorwielen van een scheepsrolpaard hadden een grotere doorsnede dan de achterwielen. Dit hield verband met de ‘deksbocht’ [10] en het verlangen om het stuk horizontaal op te stellen. Voor vesting - en kustgeschut was dit van minder belang de rolpaarden hadden vier gelijke wielen, als zij al wielen hadden.





Rolpaard in aanzichten



Voorts hadden de rolpaarden van scheepskanons een voorziening van touwwerk, dat door ogen en takelblokken dienst deed om het stuk te sjorren en tijdens het gevecht de kanons achteruit te trekken voor het laden en vooruit te brengen om de loop van het kanon buiten boord te brengen.
Mede deed het dienst om het kanon te richten door middel van verschuiving, maar dit slechts in beperkte mate.
Enkele belangrijke touwwerken aan een kanon zijn:
-    Broeking, de dikke tros die de recul of terugslag opving na het schot.
-    Baks - of zijtalies voor het richten in het horizontale vlak, het zogenaamde baksen en het naar buiten brengen van de kanonloop.
-    Inhaaltalies voor het binnenhalen van het kanon, zij diende tevens om het stuk vast te zetten.

Het richten van de stukken gebeurden met houten handspaken, die als hefboom dienst deden door ze onder de achterkant van het rolpaard of ze onder de achteras te plaatsten. Voor het instellen van de hoogte gebruikte men een ijzeren koevoet, die op de uitsparingen in de wangen, de stelpallen werd gelegd en onder het broekstuk of kulas werd geplaatst, hierdoor kon laatst genoemde worden opgetild en op de houten stelwig worden geplaatst.

Kogels en kruit.
In het algemeen gebruikte men voor de gegoten stukken als projectiel de massieve ijzeren kogel, een bolvormig lichaam dat een iets kleine diameter had dan de ziel of de diameter van de loop van het kanon, dit om het invoeren van het projectiel makkelijk te maken en het een bepaalde speling te geven, deze speling werd bij langdurig vuren geringer door de afzetting van kruitslijm in de loop van het kanon, ook kon bij het niet ontbranden van het kruit het projectiel eenvoudig worden verwijderd.
Naast de massieven ronde ijzeren kogel gebruikte men zogenaamde schuiftangen, twee halve kogels die via een tussenstang in elkaar schoven; bout of schietbouten, die bestonden uit twee halve kogels die met een stang aan elkaar vast zaten, deze laatste dienden voor het vernietigen van het want en de hoofdtouwen van een schip. Hiervoor werden ook de kettingkogels gebruikt, dit waren twee volle kogels aan elkaar verbonden door een ketting.
Verder maakte men gebruik van kartetsen, druiven en druiventrossen. Dit waren dozen van dun ijzer, die met musket - pistoolkogels of met oud ijzer waren gevuld. Kogels werden zo verhit, dat zij roodgloeiend zagen. Vanwege brand - gevaar werden zij zelden aan boord gebruikt, zij behoorden tot het privilege van de kustbatterijen. In de vaste opstellingen van deze batterijen bevond zich vaak een zogenaamde ‘kogelgloeioven’, waar de kogels rood gloeiend werden verhit.

In de 18e eeuw ging de kwaliteit en de juiste toepassing van kruitsoorten aanmerkelijk vooruit. Konstabels leerden hoe zorgvuldig zij het onderhoud op kruit moesten uitvoeren, zoals het periodiek keren van de kardoeszakken, het afwegen van deze zakken die van perkament of saai (wollen stof) waren gemaakt en het droog opbergen in houten of kartonnen kardoesdozen.



Voor het zware geschut gebruikte men het grof korrelige kruit, samengesteld uit salpeter, zwavel en houtskool. Voor de lichte stukken het fijne kruit, dat in tegenstelling tot het grof kruit geen vier, maar zes delen salpeter bevatte.

Rond 1830 was de schiettechniek zodanig verbeterd dat men al op 1400 meter het gevecht kon openen met de zogenaamde ‘volkogel’. Voor vestingen en kustbatterijen een geduchte afstand.

In 1840 streefde men vooral naar het vergroten van de gevechtsafstand. Schepen en kustbatterijen maakten gebruik van een ‘waterende’ kogel [11] die onder een kleine hoek het wateroppervlak raakt en daarbij haar weg bijna horizontaal, met toegenomen roterende snelheid voortzet. Het spelen met het platte steentje, dat drie tot vier maal ketst op het water is hiervan het goede voorbeeld. Met deze manier van schieten kon men elkaar op 1700 meter hinderen.

Buskruit hier te lande, in het midden van de 17e eeuw gebruikt, vond dikwijls zijn oorsprong in het verre oosten en wel aan de oostelijke kust, de ‘Coromandel’ in India. Hier kon goedkoop salpeter, één van de drie ingrediënten van het buskruit, worden ingekocht.
Salpeter, of kaliumnitraat zoals het tegenwoordig heet was moeilijk te maken en uiterst smerig om te verzamelen, meest werd het geproduceerd en ontstond het uit verrot dierlijk afval, kadavers en rottende mest. In het rottingsproces werden de ammoniak verbindingen omgezet in een nieuwe stof, nitraten. Het hier door verkregen calciumnitraat was niet geschikt voor het maken van buskruit, met het bijvoegen van hout as werd het calciumnitraat omgezet in kaliumnitraat.

Het boek “Schiesspulver & Feuerwaffen”, Leipzig 1866 geeft een indruk aangaande de fabricage en winning van salpeter:
Salpeter, ook bekent als kaliumnitraat ontstaat door natuurlijke oorzaken, in het bijzonder op zand - kalk en mergelgronden. Het wordt als delfstof in kristalachtige vormen gewonnen of kan op kunstmatige wijze worden gefabriceerd.
Het opwekken van het natuurlijke proces gebeurd in de zogenaamde salpeter plantages. Deze plantages bestonden uit een omwalling van aarde, waarbij tijdens het proces, mineralen zoals mergel en kalkzandsteen, werden toegevoegd. Door het uitlogen, indampen en kristalliseren werd op deze wijze op een tamelijk simpele manier doch zeer tijdrovend, naar twee jaren salpeter verkregen.
Natuurlijke vindplaatsen van salpeter in Europa vindt men in Spanje, Zuid Italië, Frankrijk, Hongarije en in het bijzonder op de vlakten van Marokko waar een korst van salpeterzuren als bedekking over het losse zand aanwezig is en die zich na afgraven snel hersteld. Op een zelfde wijze maar in nog grotere hoeveelheden wordt ook de Oost Indische kalisalpeter gewonnen, deze vindplaats dreigt uitgeput te raken. Kort geleden kon nog de grote voorraad van het natron salpeter uit Chili en Peru, vermengd met guano [12] aan dit bestand worden toegevoegd.

Later gaf, toen de fabricage van kalisalpeter uit het goedkope salpeterzure natron door koolzure kali of chloorkali in samenhang met de ontdekking en het exploiteren van de delfstoffen uit de Pruisische steengroeven een nieuwe impuls aan de fabricage van salpeter.
De kunstmatige methode van winning van kalisalpeter in putten en op terrassen van steen of aarde waarbij urine, mest en slachtafval over en gemengd met puinresten, werd uitgegoten verloor toen snel zijn betekenis.

Houtskool, het tweede ingrediënt, kon bij de lokale handelaren worden gekocht. Zwavel, het derde ingrediënt, was in Europa goedkoop te verkrijgen en werd vaak, zelfs als scheepsballast, naar India geëxporteerd.
Een deel van deze zwavel werd verkocht of geruild aan of met de Aziatische heersers, tegen katoen of salpeter.
Aan de Coromandelkust, lag de plaats Pulicat waar een grote productie van buskruit op gang kwam. De fabriek aldaar produceerde in de 40 jaar van haar bestaan miljoenen kilo’s buskruit. Dit kruit werd gemaakt door de drie grondstoffen fijn te stampen, te malen dit met behulp van molens, aangedreven door waterkracht, dier of mens. Daarna werden de poedervormige ingrediënten onder toevoeging van ruwe alcohol en urine in de juiste verhouding tot een homogene pap gemengd en tot koeken geperst. Deze ‘koek’ werd door een zeef geperst, waardoor zich korreltjes vormden, hoe fijner de zeef hoe fijner het buskruit. Grof buskruit werd voor geschut gebruikt, het fijne kruit voor musketten en pistolen.

Na 1660 besloot de V.O.C. de buskruitfabriek op te heffen en deze in gedecentraliseerde vorm op Java in Indonesië voort te zetten, dit in verband met de kwetsbaarheid van het bedrijf, vooral gezien vanuit economische en strategische oogpunten. De levering van het buskruit vanuit Java, Oost–Indië naar de Republiek zette zich nog jaren voort.



Berekening van het kaliber van voorlaad geschut met een inwendig gladde loop.

Uitgaande van een Frans veldkanon van 18 – pond, uit de tijd van  Napoleon I, uit de tijd 1810 – 1815, volgt hier een berekening van het kaliber in ponden voor een schietbuis, de monding van de schietbuis heeft de diameter van 13.2 cm..
Weergegeven zijn twee manieren, omdat meerdere formules ten dienste staan.

Methode Pascal:
Berekening van de inhoud van een bol of kogel:
Diameter van de mond van de schietbuis: (d) 13.2 cm.
Radius of r is ½ d = 6.6 cm. , waarbij Pi = 3.14
(4/3) x Pi x r³ = 4.18 x 288 = 1204 cm³.
Stel S.G. ruw ijzer (Fe) op 7.0.
Gewicht kogel is dan, 1204 cm³ x 70 = 8.42 kg.
Gewicht Engelse pond, metrisch: 0.453 kg.
Type kanon, 8.42: 0,453 = 18.6 pond Engels.

Omdat de kogel vrij passend in de schietbuis moet kunnen, spreekt men hier over een 18 – ponder. De oorzaak van het verschil in gewicht ligt in het verschil van de diameter van de monding van de schietbuis en de diameter van de kogel.

Methode Lancker:

Berekening van een bol of kogel voor:
Veldkanon – 18 – ponder in de tijd 1810 – 1815.
Diameter van de mond van de schietbuis (d) 13.2 cm..
1/6 x Pi x d³ = 0.16 x 3.14 x 23.00 = 1203 cm³..
Stel S.G. ruw ijzer (Fe) op 7.0.
Gewicht kogel, 7.0 x 1203 cm³ = 8.42 kg..
Gewicht Engels pond, metrisch: 0.453 kg..
Type kanon, 8.42: 0.453 = 18.6 pond Engels.

Natuurlijk speelt bij de prestatie van een kanon met projectiel, de lengte van de schietbuis een rol. Gaat men uit van een kanon en houwitser, midden 19e  eeuw, dan heeft de laatste een kortere loop met een kleinere kruitkamer, beide zijn geclassificeerd als 12 ponder met een diameter monding 11.73 cm. De looplengte voor de houwitser is 134 cm. en van het kanon is de looplengte 198 cm.. Schietproeven leidden tot de volgende resultaten:


a   Kanon        looplengte   198 cm., loopgewicht 796 kg., vuurkracht 532 kg..
b   Houwitser          ,,        134 cm.,         ,,        356 kg.,        ,,      407 kg..
c   Kanon        stuwstof      1,1 kg.,  gewicht projectiel 5.5 kg., dracht 1520 mtr..
d   Houwitser       ,,            0,45 kg.,       ,,            ,,  4.0 kg.,     ,,      980 mtr.


N.B. De onder c en d genoemde dracht geldt bij 5º elevatie van de schietbuis.



Uit voorstaande vergelijking volgt, dat de voordelen van een houwitser vergeleken bij een kanon van een zelfde kaliber van een lager gewicht, voornamelijk ligt in de besparing van de stuwstof. De kleinere lading geeft een geringere slag met zich mee op het projectiel, zodat een geladen projectiel met kruit, kartetsen of een andere vulling, een dunnere mantel kan hebben. Het verschoten projectiel is minder in dracht en de vlucht trager, als die van het kanon.

Gladlopig voorlaad geschut:
het geschut met een gladde loop van het type voorlader, kent verschillende uitvoeringen:
1º Veldgeschut.
2º Vestinggeschut.
3º Vlootgeschut.
4º Mortier.
Een korte omschrijving van de verschillende uitvoeringen en het gebruik van dit geschut lijkt naar aanleiding van het voorgaande gewenst.
1º Veldartillerie: de schietbuizen van vrijwel alle artilleriestukken die tot 1860 gedurende 300 jaren waren gebruikt, werden gegoten in brons, een alliage van koper en tin, messing of ijzer.
Verbeteringen beperkten zich tot de uitvoeringen van de affuit of tot het verminderen van het gewicht van de schietbuis.
Het veldgeschut kent twee typen, vlakbaan – en krombaan geschut, zij staan bekend als kanon en houwitser. Beide kanonnen schoten een ronde kogel, met dit verschil, dat de houwitser eenvoudig, met de kromme baan van de afgevuurde kogel voor eigen – of andere troepen kon schieten of deze hinderen in een vesting.
2º Vestinggeschut: het voornaamste verschil tussen veldgeschut en geschut om een vesting te verdedigen, was gelegen in het gewicht. De schietbuizen konden evenals de gebruikte munitie van een groter kaliber zijn, zeker als het ging om vast opgestelde vestingkanonnen.
Interessant zijn hierbij de speciaal ontwikkelde onderstellen of affuiten, bestemd om de schootsvelden zo goed mogelijk te bestrijken. Bekend zijn de houten of ijzeren scheepsaffuiten en rolpaarden, de houten exemplaren dikwijls in de vestingopstelling zonder wielen op een slede, die zijdelings werd bewogen op een voorgelegen pivot pen, waarop de geschutsvoet draaide.
Daarnaast bestond de achterkrik affuit, bedoeld om het kanon in staat te stellen te vuren op de aanvaller, van een hogere gelegen fort. De negatieve elevatie die hierbij ontstond, vroeg om een extra voorziening, een speciale prop om te voorkomen dat de kogel uit de loop rolde.
De terugslag van deze kanonnen werd tijdens het schieten door de constructie opgevangen, doormiddel van het wrijvingseffect van de affuit op het onderraam.
3º Vlootgeschut: gedurende 300 jaar – van ongeveer 1550 tot circa 1860 – droegen oorlogsschepen min of meer het karakter van een drijvende geschutsbatterij. Elk stuk afzonderlijk had een beperkt breedtebereik en moest telkens worden terug gehaald, als na elk schot de kanonsloop opnieuw moest worden geladen. Deze vaste gegevens van de kanonslopen of veranderde niets of weinig in die periode.

Verbeteringen bleven hoofdzakelijk beperkt tot kwaliteit van de drijfstof of het buskruit, de ontstekingsmethode en de munitie, functionele verbeteringen werden gevonden in de vuursteen – en de slag - of percussieontsteking.

4º De mortier is het enige overblijfsel van voorlaad kanonnen, die het tot de 21ºeeuw hebben volgehouden. De geschiedenis van dit wapen gaat terug tot in de 14e eeuw. In zijn tegenwoordige vorm is het afkomstig uit de loopgravenoorlog van 1914 – 1918.
In de Verenigde Staten, gebruikte men tijdens het beleg van Petersburg, Virginia in 1865, een belegeringsmortier met een kaliber van 33 cm. De mortier had een gewicht van 7,7 k/t, het was op een treinonderstel gemonteerd.




BIBLIOGRAFIE KANONS

Handboek der Officieren 1872, Den Haag / Amsterdam, van Cleef 1872.
Antieke Vuurwapens, door ir. R.T.N. Kempers, ISBN 90.228.39.540.
Nederlands Geschut sinds 1677, serie Militair Memoriaal 4, J. Aberda en Kroesen, uitgegeven bij Holkema & Warendorf Bussum.
Weapens, Diagram Visual Information ltd. 1980 Londen (Nederlandse uitgave Helmond BV. Helmond, als Encyclopedie van Wapens)
De Nederlandsche Scheepsbouwconstructie, Cornelis van IJk 1697.
Entwicklung Seekriegswaffen 1898, Das Aufkommen der Pulverwaffen 1925.
Het Scheepsmodel, tuigage, uitrusting en scheepswapens door Orazio Curti.
Geschut voor de Batavia, Bert Westra, Batavia Cahier no. 2 ISBN 90.73857.02.3.
Periodiek: Mars et Historia 11e jaargang no. 3, november 1976.
Schiespulver & Feuerwaffen, Otto Spamer, Leipzig 1866.
Napoleons Artillerie, Armee und Waffenband 1980, Robert Wilkinson, ISBN 3.8033.0298.6.
Buskruitfabriek in Pulicat, door Wilfred Simons, R.D. 09-02-02.
BOEM !! 1000 jaar Buskruit. Uitgave Legermuseum Delft 2006.



1] Kanonnen is de algemene uitdrukking voor geschut, marinegeschut wordt aangeduid met ‘kanons’. Vlissingen en Hellevoetsluis bezitten in meerder mate marinemateriaal.
2] Volgens overlevering zou het kanon met ± 8 kg buskruit moeten worden geladen. Men kon dan een kogel afschieten over een afstand van ± 7 á 8 “ Hollandse Mijlen “, gerekend dat de Hollandse mijl toen 5,55 km deed, zou men met dit kanon de afstand Dover Calais kunnen over bruggen. De Utrechtse geschutsgieterij had dus de twijfelachtige eer om het eerste inter – continentale geschut te leveren.
3] Het Consulaat en Keizerrijk, 1799-1813.
4] De terugslag of terugloop van een kanon.
5] Rolpaard is het begrip voor onderstellen van zwaar vesting en kustgeschut, doorgaans geplaatst op vier wielen. Zij kunnen zijn uitgevoerd in hout of ijzer.
6] Zundgat: het gat boven op het kanon aan de achterzijde waar de ontsteking van hoofdlading plaats vindt.
7] Het Franse metrieke of tiendelig stelsel van maten en gewichten.
8] Een stuk bewegen in het horizontale vlak.
9] Een stuk bewegen in het verticale vlak.
10] De ronding van het dek van stuur naar bakboord.
11] In de wereld van de artillerie wordt dit een ‘ricochet’ genoemd.
12] Verdroogde zeevogelmest, de uitwerpselen van vogels.


Auteur: Jan C. H. Jansen.
Hvsl mrt. 2005.
Hellevoetsluis, laatste rev: maart 2011

Laatst aangepast (maandag, 23 januari 2012 18:06)