Wist u dat...
De Leeuw in het hek van het bordes van het gemeentehuis is rood geschilderd. Heraldisch is dit correct. Klik hier
Wat zoekt u?

Voorne-Putten in de 13e eeuw

'Bid en Werk"

Inhoud
1     De regel van Benedictus
2     De Cisterciënzerorde
3     De Cisterciënzer monniken van de Ter Duinenabdij te Veurne
4     De abdij Ter Doest bij het Vlaamse  Lissewege
5     Verluchte manuscripten
6     Handelswegen
7     De lage landen bij de zee
8     De Heren van Voorne en het Burggraafschap van Zeeland
9     Het ‘Agnus Dei’ en het werkstuk

De Regel van Benedictus
In het westerse christendom werd Benedictus (ca. 480-550), dit is ‘gezegende’, toonaangevend. Geboren te Nursia in de Italiaanse provincie Perugia. Het Romeinse rijk was ten onder gegaan en wat ervan over was had te lijden onder invallen van stammen of volkeren van buiten, zoals die van de Goten en de Vandalen. Er was grote behoefte aan rust en stabiliteit. Mede om die reden trok Benedictus zich terug in Subiaco en stichtte een kloostergemeenschap op een hoge rots, de Monte Cassino. Hier schreef hij zijn beroemde Regula monachorum ofwel Regel voor de monniken. Nog in dezelfde eeuw, maar vooral daarna, verspreidde het benedictijnse kloosterleven zich over héél het westen van Europa. Daarom wordt de heilige Benedictus de vader van het westerse kloosterleven genoemd. Paus Gregorius de Grote was een grote bewonderaar van hem en schreef rond 593 een vita (levensloop) over Benedictus.

Uit de benedictijnse tak zijn veel zijtakken tot bloei gekomen. Zo ontstond in de 12e eeuw 'n hervormingsbeweging, de cisterciënzerorde onder leiding van Bernardus van Clairvaux. Deze gaf een strengere uitleg aan de regel van Benedictus. Zij hebben zich hier te lande intensief met landontginning en dijkaanleg beziggehouden.
Benedictus heeft in de Regel een huisreglement samengesteld, voor de monnikengemeenschap die hij voor ogen had.
Het betreft een tekst van 1500 jaar oud die geschreven is in een tijd met andere gewoonten en gezagsverhoudingen dan de onze en bestaat uit 73 hoofdstukken.

'Benedictus’ Regel begint de Proloog (voorwoord) met: “Luister, mijn zoon, naar de richtlijnen van uw meester en neig het oor van uw hart: aanvaard gewillig de vermaningen van uw liefhebbende vader en breng ze metterdaad te uitvoer.”

De Regel wordt als volgt ingedeeld:   
Proloog: een persoonlijke uitnodiging
Deel 1: geestelijke leidraad
Hfst. 1-7: over de verschillende soorten monniken
over de hoedanigheden van de abt
over het raadplegen van de broeders
over de mogelijkheden om goed te handelen
over de gehoorzaamheid
over het stilzwijgen
over de nederigheid

Deel   2:         institutioneel en disciplinair deel
Hfst.   8-20:    over het werk Gods (= koorgebed)
Hfst. 21-30:    over de tucht
Hfst. 31-41:    de econoom en de broederlijke dienst
Hfst. 42-49:    leefregels in de gemeenschap
Hfst. 50-57:    klooster, bidplaats en buitenwereld
Hfst. 58-61:    aangroei van de gemeenschap met nieuwe kandidaten
Hfst. 62-65:    eigen plaats van de monnik binnen de gemeenschap
Hfst. 66:        de portier als schakel tussen de binnen- en buitenwereld
Hfst. 67-72:    de weg van de liefde in het klooster
Hfst. 73:        epiloog: beperktheid van deze Regel



De cisterciënzerorde
Een strenge orde, in 1098 opgericht door  Robertus van Molesmes in Citeaux (Cistercium) bij Dijon in Bourgondië. 
Een prominent cisterciënzer was Bernardus van Clairvaux (1090-1153), die gevierd wordt om zijn spiritualiteit en zijn impact zowel op kerk en staat als op de eerste kruistocht.
Bid en Werk was de leuze waarop de H. Bernardus zijn hervorming had gebouwd. Vele verordeningen en de volstrekte gehoorzaamheid. Harde lichamelijke verstervingen werden vereist.
Voor de meerderheid van de monniken was enkel een klein deel van de dag aan de studie gewijd. Een ieder werkte volgens zijn beroep of bekwaamheid op vaste tijden.                                                                
In 1112 huisden er zoveel monniken in Citeaux dat men niet voldoende gronden had om ze te voeden en niet genoeg ruimte om ze allemaal een fatsoenlijk onderdak te kunnen bieden.



Men besloot om telkens 12 nieuw ingetreden monniken met een abt uit te zenden voor de stichting van dochterabdijen op de geschonken landgoederen.
Er werd een constitutie: ‘oorkonde van liefde een eendracht’ vastgelegd. De nieuwe vestingen dienden de regel op dezelfde manier in acht te nemen, dezelfde liturgische boeken te gebruiken en zich niet te onderscheiden in gebruiken van de moederabdij.
Een gecentraliseerde organisatie was hierdoor noodzakelijk, met de abt van Citeaux als hoofd, waarbij alle abten jaarlijks bijeenkwamen in het moederhuis, het  zogeheten ‘generaal kapittel’.
Nieuw was ook, bij de uitwerking op de kloosterinrichting, de strikte scheiding van monniken en conversen (lekenbroeders). Alleen priesters en clerici op weg naar hun priesterwijding konden hun status van monnik behouden. Alle anderen, ongeacht de stand, werden alleen als conversen in het klooster opgenomen en bleven altijd convers.
Ze leefden ook bijna in volledig van elkaar gescheiden sferen.
De monniken waren belast met de misdienst en het bidden, de lekenbroeder verantwoordelijk voor de lichamelijke arbeid in het klooster en het zware werk op land en in de bossen.
Alleen in de oogsttijd namen de monniken deel aan het binnenbrengen van het hooi en bij de wijnoogst. Zij hadden een eigen domein in de westelijke vleugel van de abdij.
Met hun door standsbesef ingegeven tweedeling in een monnikenconvent, waarvan de leden bijna uitsluitend tot de lage en middeladel behoorden en een overwegend niet-adellijk conversenconvent vormden de cisterciënzerkloosters een realistische afspiegeling van de samenleving van die tijd.
Hun succes bij de adel en de grote aantallen conversen die zich bij hen aansloten, bewijzen dat hun argument dat ieder God op de bij hem passende wijze moest dienen, de tijdgenoten van beide standen overtuigde.

Architectuur van de  Cisterciënzers.

Deze monniken baseerden zich steeds op regionale vormgeving en het beschikbare materiaal. Zij zijn in onze streken de verspreiders geweest van de overgangsstijl van romaans naar de gotische bouwstijl. Strevend naar praktisch, eenvoud, uiterst sober en streng in haar vormgeving, zonder decoraties. Aandacht voor het metselwerk en de afwerking van stenen. Toepassing van rondboog en kruisribgewelf.
Het licht is een belangrijk symbolisch gegeven. Bredere vensteropeningen en in plaats van gebrandschilderde ramen, blank glas met een abstracte versiering van de loodlijnen, hierdoor stroomde het daglicht vol naar binnen. Ter Doest, geheel in baksteen gebouwd en wordt de Vlaamse kustgotiek genoemd, was architecturaal van betekenis geworden, naar voorbeeld van het machtig complex de abdij Ter Duinen te Koksijde.

De scheiding tussen de monniken en de conversen werd in de bouwplannen vastgelegd.



De spiritualiteit van de orde, de strakke structuur werd de sleutel van het succes.
Toen Bernardus stierf in 1153 telde Europa als zo’n 360 cisterciënzerkloosters.

In 1160 vestigden ze zich in Friesland, bij het huidige Rinsumageest. Op de vruchtbare kleigrond van de rivier de Ee bouwden ze de abdij Claerkamp. Wat het eerste stenen gebouw werd sinds het vertrek van de Romeinen.

Zij bezaten het eiland Schiermonnikoog genoemd naar de grauwe (schier) pijen van de monniken, alwaar een uithof werd neergezet.  50 jaar later de abdij Bloemkamp bij Bolsward.
Eind 13e eeuw stonden er in totaal 694 kloosters in West-Europa.
Men koos locaties die ontoegankelijk waren door struikgewas en doorns en die slechts bewoond werden door wilde dieren. Het ging echter niet om het isolement, maar om de soevereine controle over de verbindingen naar buiten. De woestenij rond hun kloosters cultiveerden de monniken en mede door schenkingen van de adel waren zij, in relatief korte tijd, grootgrondbezitters geworden.



Op de ontgonnen landen specialiseerden ze zich in het fokken en houden van schapen.

Het systeem van uithoven werd aangevuld met nederzettingen in steden de zogeheten stadshoven, die verantwoordelijk waren voor de afzet van de waren op markt. Deze steunpunten fungeerden als plekken voor het drijven van handel op internationaal niveau van graan – hout - wol - zout – wijn - baksteen.
De cisterciënzers werden hierdoor in korte tijd zeer rijk. Zij leverden met hun grote landbouwontginningen een onmiskenbare bijdrage tot het ontstaan van de vrije markteconomie en de culturele ontwikkeling van Europa.
Ook op het gebied van watertechnische werken die voor elk klooster van belang waren brachten de cisterciënzers het tot waar meesterschap. Omleidingen, sluizen, afvoer, goten, ondergrondse leidingen en stroompjes alsmede molens zijn in talrijke abdijen terug te vinden.

De cisterciënzermonniken van de Ter Duinenabdij
De Duinenabdij, gelegen in Vlaanderen, vond haar oorsprong in een gemeenschap van kluizenaars. Omstreeks 1107 vestigde de kluizenaar Ligerius zich in de duinen van het huidige Koksijde. Hij trok enkele volgelingen aan, waaronder Fulco, een monnik uit de abdij van Fontmorigny. In 1128 nam Fulco de leiding van de gemeenschap, die hij uitbouwde met de steun van het kapittel van Sint-Walburga en van de graven Willem Clito en Diederik van de Elzas. In 1138 besloot Fulco zijn gemeenschap te laten aansluiten bij de Orde van Cîteaux. Bernardus van Clairvaux aanvaardde de nieuwe gemeenschap en stelde Robrecht van Brugge, aan als eerste abt van de nieuwe cisterciënzerabdij Ten Duinen bij Veurne, het huidige Koksijde in Vlaanderen. Deze stichtte op zijn beurt in 1140  een dochterabdij: Clairmarais in Noord-Frankrijk.
De Duinengemeenschap ontwikkelde zich sinds haar bestaan niet enkel tot een monastiek imperium, maar ook tot een grootgrondbezitter met verreikende uitstraling.
Ter Duinen bouwde dijken, polders, uithoven, molens, sluizen en vluchthuizen; deed aan landbouw, visserij, jacht en handel; inde tienden en verpachtte land. Ook op politiek vlak werd de Duinenabdij een vooraanstaande speler. Hoewel een abt volgens het cisterciënzerideaal van de 12e eeuw een monnik onder monniken moest zijn, werden de Duinenabten in de late Middeleeuwen vooraanstaande spelers in diplomatieke kringen, bijvoorbeeld als lid van de Raad van Vlaanderen. Bouw en uitbreiding van de abdij gingen door tot eind van de 13e eeuw.

Aan het begin van de 14e eeuw kondigde zich door politieke omstandigheden, een langzaam verval aan.
In de 16e eeuw brak echter een moeilijke periode aan voor de Duinenabdij. De gemeenschap werd geplaagd door financiële tegenslagen en door natuurrampen.
Talrijke dijkbreuken leidden tot dure herstelwerken en een verlies van inkomsten. De oprukkende duinen vormden een constante bedreiging, een deel van de abdij moest in de 16e eeuw verlaten en opgegeven worden aan deze onstuitbare natuurkracht. De gemeenschap werd bovendien een speelbal van politieke ontwikkelingen.
In 1566 werden de abdijgebouwen en de inboedel tijdens de beeldenstorm zwaar beschadigd door de bosgeuzen. In 1571 werd de abdij geplunderd en platgebrand. Ook de boeken moesten het hierbij ontgelden. Tussen 1578-1584 gaf het protestants bestuur van Veurne zelfs de opdracht de abdij te ontmantelen: hout, dakpannen, glas-in-lood, buizen en ander materiaal werden verkocht ten bate van de nieuwe protestantse erediensten.

De Duinenmonniken zochten noodgedwongen onderdak onder andere in Nieuwpoort, Brugge en bij familie. Pas in 1601, nadat aartshertog Albrecht de protestanten uit Oostende verdreef en het weer rustig werd in de kuststreek, verzamelde abt Laurentius Van den Berghe zijn monniken in het Duinenuithof Ten Bogaerde. Dankzij de rust van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) kreeg de gemeenschap de kans om zich financieel en organisatorisch te herstellen.

In 1624 incorporeerde de Brugse bisschop Denis Stoffels de abdij van Ter Doest in de Duinenabdij. Hierbij werd ook de middeleeuwse bibliotheek van Ter Doest overgedragen aan Ter Duinen. Deze bibliotheek was – in tegenstelling tot de bibliotheek van Ter Duinen – zonder al te veel kleerscheuren de calvinistische periode doorgekomen.
De abdij van Clairmarais ging haar eigen weg.


De abdij Ter Doest bij  het Vlaamse Lissewege.



Het heraldisch wapen van de Abdij

De eerste kloosterstichting van Ter Doest dagtekent uit 1106 en begint als een Benedictijnenpriorij. Over de eerste geschiedenis zijn geen gegevens bewaard gebleven.
In 1174 werd de priorij aan de Cisterciënzers afgestaan en daarmee een dochterstichting van Ter Duinen In 1181 schonk  Philips van de Elzas de stichting 300 gemeten op Zuid-Beveland en wat later van Hendrik van Schoten, heer van Breda Krabbendijk in Zeeland. In de daar opvolgende jaren zou de abdij zich vooral uitbreidden naar het noorden toe.
De explosieve groei van de handelsstad Brugge als internationaal handelscentrum, met handelsbetrekkingen in vijf richtingen: Engeland Noord-Duitsland, Rijnland de Middellandse Zee en de Westkust van Spanje en Frankrijk, was zeer gunstig voor de abdij.

De Tiende schuur

De in Romanogotieke stijl opgetrokken, tiende schuur, heeft de woelingen van de tijd doorstaan, is nog steeds te bewonderen en de trots van het huidige Ter Doest. Het monument is opgetrokken uit grote bakstenen, ongeveer 5kg wegend en moefen worden genoemd. De schuur is 60m lang, 25 m breed en 20 m hoog.  Het indrukwekkende gebinte wordt geschraagd door twee rijen van tien eiken.
Ze is als enige bewaard gebleven, van een grote reeks ooit door de Cisterciënzers in ons kuststreek gebouwd.
Bij de uithof in de Ravense Hoek zijn dezelfde moefen gebruikt als bij de abdij Ter Doest. De stenen, gebakken door de lekenbroeders, werden per boot via de handelsrouten vervoerd.

Verluchte manuscripten  



Tot de schatten van de abdij Ter Doest behoren de manuscripten die zoveel verwondering baarden dat men meent dat zij niet voor 1250 aldaar werden vervaardigd, maar wellicht in Ter Duinen. Zeker is wel in de tweede helft van de 13e eeuw bezat Ter Doest een belangrijk scriptorium waar waardevolle werken ontstonden.
In de 17e eeuw is de bibliotheek samengevoegd bij die van de bewaard gebleven exemplaren van Ter Duinen. Hiervan is weer een deel verloren gegaan tijdens de Franse revolutie.
Een kleine 200 handschriften zijn niet geconfisqueerd door de Fransen, maar bewaard door de laatste monnik van Ten Duinen.
Bij zijn overlijden in 1833 werden deze handschriften overgedragen aan de bisschop van Brugge. Daar worden zij vandaag nog steeds bewaard.

Ondanks een bewogen geschiedenis, waarbij vele honderden manuscripten verloren zijn gegaan, is de bibliotheek van Ten Duinen en Ter Doest als collectie uitzonderlijk goed bewaard gebleven.
Hoewel de verzameling van in totaal ca. 700 manuscripten slechts een fractie is van de oorspronkelijke bibliotheek, steekt ze toch schril af tegen het handvol manuscripten dat bewaard is gebleven in de meeste abdijen in de Nederlanden. Verschillende onderzoekers hebben zich dan ook over deze collectie gebogen.
Een bekend Duinenhandschrift uit de 12e eeuw is die van Hugo de Folieto. Vijf geschriften waarvan de tweede de meeste interessantste is:  ‘over vogels’  met moraliserende inhoud en rijk geïllustreerd.
De Openbare Bibliotheek Brugge bezit ongeveer 450 handschriften. Het leeuwendeel van Ten Duinen en Ter Doest.
Deze cisterciënzercollectie is een unieke troef van de bibliotheek.
In het Groot Seminarie te Brugge bevinden zich een honderdtal exemplaren en verder zijn er nog een aantal in particuliere en openbare verzamelingen opgenomen.

Handelswegen
De handelswegen door het westen van ons land in de 13e en 14e eeuw.
Over Utrecht was de weg eind 13e eeuw reeds verlaten.


De rechtstreekse handelsroute van Brugge en Lissewege, liep per schip via Zwin, langs Middelburg, Zierikzee, het Flakkee, Bernisse Geervliet, De Maas, Rotterdam, Gouda, Utrecht, Staveren, achter de Wadden langs naar Lubeck en Hamburg.
De monniken dreven handel, met Duitsland, Denemarken, Noorwegen, Zweden en Engeland.




De lage landen bij de zee



100 jaar AD Romeinse tijd  

Ooit vormden Voorne-Putten en Goeree-Overflakkee  een groot veengebied met enkele kreken, klei- en zandgebieden en een beschermende duinenrij aan de kust.
Het is geen toeval en ook niet alleen een zaak van groter technisch kunnen, dat de Romeinen hier de eerste dijken aanlegden. In die tijd, toen het gemiddelde zeeniveau ruim 2 meter lager lag dan het het land, was een aarden dammetje al een redelijke waterkering. De Romeinen hadden de dijkwegen nodig voor hun handels- en troepentransport en het centrale gezag om de bewoners te dwingen van een individuele op een collectieve waterkering over te gaan.
Ten tijde van de Romeinen 50-400 jaar na Christus is er sprake van volop bewoning; verspreid over het hele gebied stonden boerderijen. Na de instorting van het Romeinse rijk wijst niets op een verdere ontwikkeling van het dijkwezen.


700 jaar AD  Middeleeuwen

In de vroege middeleeuwen vond nogmaals een tijd van moerasvorming plaats, maar vanaf de 8e en 9e eeuw  werden delen van de veen- en kleigebieden en in het bijzonder in de 10e eeuw ontgonnen.
Rond 1100  vormden Zeeuws Vlaanderen, Zeeland en Voorne  tot in de 14e  eeuw een geheel van eilandjes, in grote watergebieden, ontoegankelijk in de winter.

Vanaf het midden van de 12e eeuw veroorzaakten zware stormen steeds meer overstromingen. Door dijkaanleg en andere ingrepen werd er hard gewerkt om het land veilig te stellen en de verdronken gebieden terug te winnen. De zware strijd tegen het water, lijkt vanaf de 10e eeuw, wellicht reeds eerder, met behulp van monniken geleverd te zijn.
De genadeslag voor het oude Voorne kwam aan het begin van de 13e eeuw. Een zware stormvloed in 1214 brak de natuurlijke kust en zo ontstond het Flakkee, welke in de 19e eeuw veranderde in het Haringvliet.
De overlast en dreiging van het water zette de Heer van Voorne Dirk II, ertoe aan om hulp in te roepen van de cisterciënzerabdij ter Doest bij het Vlaamse Lissewege. Zij waren het, die reeds eeuwen in het Zeeuws-Vlaanderen en Zeeland bij voortduring gebied herwonnen op de zee.

Hun inzet en expertise waren nodig om de bedreigd delen van de bezittingen van de Heer van Voorne, het zogenaamde Middellant, te kunnen behouden. In ruil daarvoor schonk hij hen een deel van het gebied, zo valt op te maken uit een akte van 1220. Uiteindelijk kochten de cisterciënzers alle stukken land die nog niet hun eigendom waren. Ze verwierven daarmee alle rechten over het gebied, zoals het innen van belastingen, het moeren en zoutwinning. Bovendien hoefden ze niemand toestemming te vragen om het gebied in te polderen en zo ook eigen parochies te stichtten.
Er kwam een zogenoemde uithof, een dependance van de abdij Ter Doest.
Hier konden ze ongestoord in sobere omstandigheden leven en in afzondering en in harmonie met de natuur het gebied cultiveren.
De exploitatie leverde geld op, waarmee elders nieuwe gebieden konden worden aangekocht, waar dan ook een uithof werd opgericht. Door de ruilverkaveling, op Voorne-Putten en door realisatie van de woonwijken Bonsen Hoek en Ravense Hoek is de uithof Oosthoek archeologisch in beeld gekomen. Opgravingen brachten niet alleen de nederzetting aan het licht, maar ook de ligging van kerk met kerkhof. Bovendien is het fundament van een 8 x 9 meter metende stenen woontoren blootgelegd, die gelegen was op een eiland omgeven door een gracht. De toren was mogelijk het onderkomen van het hoofd van de uithof, maar kan ook gebruikt zijn als opslag van kostbare goederen en dienst hebben gedaan als rechthuis.

Ter Doest verkocht in 1314 de Oosthoek samen met enkele andere landerijen aan Gerard van Voorne. Het land was niet te behouden. Overstromingen volgden en een dik pakket klei werd afgezet.
In 1368 volgden bedijkingen waardoor de huidige polder Nieuwenhoorn ontstond.
Door de diverse inpoldering groeide Voorne uit tot een eiland, gelijk als Putten. De Bernisse bleef als grensrivier bestaan. Putten omvatte ook een groter gebied.
Door het ontstaan van het Spui als gevolg van de Elisabethsvloed van 1421 werd het eiland doorsneden en kwam een deel uiteindelijk in de Hoeksche Waard te liggen. Het gebied was vooral gericht op landbouw en veeteelt.

Uitzonderingen waren de vestingstad Brielle, waar handel plaatsvond, het vissersdorp Zwartewaal, van waaruit eeuwenlang schepen voerden naar zee en het vanaf het begin van de 17e eeuw ontwikkelende Fortresse Hellevoetsluis, dat voornamelijk als vlootbasis van de Admiraliteiten op de Maze diende.

De Heerlijkheid Voorne en het Burggraafschap van Zeeland
Graaf van Holland Dirk 11 (932-988), het formele leenschap berustte bij de Utrechtse bisschop, huwde met Hildegard van Vlaanderen. Zij was een dochter van Graaf Arnulf I van Vlaanderen. Wat zorgde voor nauwe contacten met dit graafschap.
Omstreeks de helft van de 10e eeuw schonk Dirk het gebied aan Voorne aan een van zijn zonen Aarnout/Arnulf 951-933.
Het was het begin van de Heerlijkheid Voorne, een zelfstandig landje op de grens van Holland en Zeeland, dat ruwweg het huidige Voorne en Goeree-Overflakkee omvatte. De heren van Voorne brachten het gebied tot ontwikkeling.
Zij gaven toestemming polders te bedijken, verleende stadsrechten en liet in Oostvoorne een kasteel bouwen.
In de loop der tijd zijn echter ook gebieden over de Maas verworven. Deze worden tot Holland gerekend. Eenzelfde uitbreiding is in zuidelijke richting over het Flakkee waar te nemen. De gebieden, genaamd Roxenisse, Bommenede, Dirksland, Zwartee, Zomerland en Grijsoord, thans delen van Schouwen en Overflakkee, worden tot Zeeland gerekend.

Behalve dit geheel heeft de heer van Voorne ook elders door erfenis, verwerving, opdrachten of op andere wijze rechten of bezittingen verkregen. Zo treft men deze buiten het reeds genoemde gebied ook aan in
(West-)Friesland, Utrecht, de Betuwe, Zuid-Holland, Vlaanderen, het Overkwartier van Gelre en in Kleef.

Hoogst opmerkelijk is hier de verhouding tot Putten en het land achter Dordrecht, beiden door leenbanden verbonden aan de heren van Voorne. Het schijnt wel te gaan om een oud samenstel van rechten, dat tot ontwikkeling is gekomen in de nabijheid van de rivieren.
Voor het Hollands leengoed, gehouden door de heren van Voorne, bestond een merkwaardig soort erfrecht, dat de heren nauw bond aan de fortuin van de graven van Holland.
Zij hielden dat leen namelijk zoals deze graven het van het heilige roomse rijk, dat wil dus zeggen met grafelijk erfrecht. Tot het uitsterven van het Henegouwse huis in 1345 is Holland altijd als rechtleen beschouwd. Met Voorne was dat derhalve ook het geval.

De Heren en Vrouwen van Voorne
Uit de weinige bronnen blijkt wel, dat de heren van Voorne al in het begin van de 12e eeuw precies dezelfde stand hebben als later en bovendien, dat zij kennelijk iets te vertellen hadden in een uithoek van het latere graafschap Holland aan de tegenwoordige afgedamde Maas.

In het jaar 1156 treedt Floris van Voorne op, van wie voor dit geslacht uit de 12e eeuw de meeste gegevens overgeleverd zijn. Vermeld van 1156 tot 1174, is de eerste der heren van Voorne, van wie de omtrekken wat duidelijker worden. Maar niet veel omdat ook hij zich, zij het op zeer eervolle plaats, in het gevolg van de graaf van Holland bevindt. Men treft hem buiten Holland en Zeeland ook al in Vlaanderen aan. Dat is alles. Zijn vrouw komt schijnbaar in de oorkonden niet voor, zijn minderjarige zoon Hugo na 1174 nog in twee ongedateerde oorkonden.
Met hem sterft de eerste tak van het huis Voorne uit. Een broer van Floris, genaamd Dirk, wordt nu heer van Voorne.
Er is niets van hem bekend, behalve dan, dat ook hij weer precies dezelfde plaats in het gevolg van de graven van Holland bekleedt als de andere heren van Voorne. Met het naderen van de eeuwwisseling komt er wat deining in dit rimpelloze beeld. Dirks zoon, Hugo, komt als eerste en ook als laatste der heren van Voorne, in de annalen van Egmond voor.
Graaf Dirk VII van Holland was op het einde van het jaar 1203 overleden. Het is een broer, die hem opvolgt, genaamd Dirk. Deze (Theodorik) 11 schenkt in 1220  Middellant aan de cisterciënzermonniken als dank voor het aanleggen van dijken. Hij vervult dezelfde rol als zijn voorgangers.
IN NAAM DES VADERS EN DES ZOONS EN DES HEILIGEN GEESTES, AMEN. ER IS EEN OUD SPREEKWOORD DAT MEN IN DEN NOOD ZIJN VRIENDEN LEERT KENNEN. VANDAAR DAT IK, THEODORIK, HEER VAN VOORNE, DOOR DE NOOD GEDWONGEN TOEN MIJN GEHELE DOMEIN DOOR DE ZEE OVERSTROOMD WAS EN GEVAAR LIEP VOOR ALTIJD BEDORVEN TE WORDEN……

Een tekstfragment op een brugleuning, nabij het opgegraven fundament van de woontoren in de Ravense Hoek. Dit uit de oorkonde van Theodorik, Heer van Voorne en de abt van de monniken van Ter Doest, waardoor deze  het gebied van Oosthoek in eigendom kregen.

De heren en vrouwen van Voorne:
Dirk I  ca. 1175-1189
Hugo 1189-1213
Dirk II1216-1228
Hendrik 1229-1259
Albert 1261-1287
Katharina van Durbuy, voogdes 1289-1300
Gerard 1289-1337
Machteld, gehuwd met 1337-1372
Dirk heer van Montjoie en Valkenburg 1337-1346
De Heren van Heenvliet
Voor het ontstaan van de heerlijkheid Heenvliet is in het jaar 1228 de grondslag gelegd. Dirk van Voorne, toenmalig heer, bedacht zijn tweede zoon Hugo aldus met een apanage als schadeloosstelling voor diens rechten in de heerlijkheid Voorne. Aanvankelijk blijft het goed evenwel in het gemeenschappelijk bezit van de familie, tot de afsplitsing in 1253 definitief wordt. 
Hugo vermeldt 1228-1271
Dirk                1277-1288
Hugo              1277-1291
Jan                 1307-1344
Hugo              1343-1364
Hugo              1364-1409
Register Rentmeesterschap
Oostvoorne  + Voorne
Westvoorne + Voorne
Heenvliet en Putten
Schouwen, waaronder Noord-Beveland + Zeeland beoosten Schelde
Duiveland + Zeeland bewesten Schelde
Walcheren + Zeeland bewesten Schelde
Zuid-Beveland + Zeeland bewesten Schelde
Wolphaartsdijk
Zuid-Holland
Noord-Holland + Voorne  (West-)Friesland
Acquoy, Gelre en Utrecht + wellicht rentmeesterschap

Het werkstuk ‘Agnus Dei’

Een aantal jaren geleden heb ik mijn medewerking verleend aan het project ‘De kunst van het graven’ waarin aandacht is besteed aan de archeologische vondsten bij  de Ravense Hoek. Het bleek om overblijfselen te gaan van een nederzetting door Cisterciënzermonniken gebouwd, om het land te bedijken. De illustraties in het boek zijn van mijn hand.

De illustratie op 07 van de Canon, welke staat voor de tijdsperiode 1214-1314, komt uit dat boek, mijn keuze was derhalve logisch.
In dit tijdvak de opkomst van steden en handelswegen, de belangrijke rol van landsheren, bisschoppen, kloosters, de kruistochten en de mystieke vrouwenpoëzie in de volkstaal.
De maatschappij was doortrokken van Christelijk denken, gericht op het hiernamaals. De Latijnse kruisvorm staat er symbool voor, hoewel veel ouder dan het christendom zelf, is het onlosmakelijk verbonden geraakt met het lijden en de dood van Christus.
Kruisvorm en drager werd het uitgangspunt van het werkstuk, echter asymmetrisch, eigentijds.
Het ‘Agnus Dei’, de beschildering is een symbool van Christus die door opoffering de zonden van de mens verzoend. Er zijn vele varianten van verbeeldingsvorm in omloop. De bekendste en meest gebruikte is het staande lam met  vaandel en het rode kruis. Symbool van de overwinning op de dood.
Ik koos voor het liggende lam, omdat door deze vormgeving een andere dementie ontstaat, je kijkt als het ware in de kosmos.
Het rode kruis boven het lam, is het Maltezerkruis, symbool van de hospitaalridders van de Johannieterorde. Beschermers van de Pelgrims en de hospitalen. Van origine wit, ik heb gekozen voor rood, verwijzend naar het universele rode kruis.
Het lam ligt op een boek met de zeven zegels, een verwijzing naar de openbaring van Johannes ‘De Apocalypse’ het laatste boek van het Nieuwe Testament.

Twee van de interpretaties over de betekenis: profetie van de eindtijd. Of een tijdloze overwinning van goed over kwaad. Het ‘Agnus Dei’ is er ook in liedvorm en wordt op hoogtijdagen tijdens de Heilige Mis gezongen.
De keuze voor dit symbool:

•   de spiritualiteit van de Cisterciënzer was gericht op Christus, de mensgod, de menselijke liefde.
•   Lammeren en schapen werden in grote hoeveelheden gefokt  door de monniken op de ontgonnen landen.
•   De wol werd gebruikt voor de lakenhandel. Een van de oorzaken van hun rijkdom.
•   Het ‘Agnus Dei’ (Lam Gods) staat op het Heraldisch wapen van Hellevoetsluis
•   Een Zeeuwse wijze van grondberekening van vroeger tijd: een bepaalde omvang van gronden naar een
hoeveelheid van 900 en 200 schapen die er konden weiden.
•   De bloemen, zijn een uitvergroot onderdeel van een vroeg 14e eeuwse initiaal. Monniken hebben prachtige
verluchtigde manuscripten nagelaten.

De beschilderingen zijn eveneens asymmetrisch aangebracht.
De achterkant is met oranje fluorescerende verf bestreken. Bij een juiste belichting reflecteert dit rond de kruisvorm.
Voor de Cisterciënzers was licht een belangrijk gegeven in symbolische zin verwijzend naar Christus.
De afmetingen van de kruisvorm zijn ± 85 X 180 cm.

Bronnen:
De kunst van het graven                       Gemeente Hellevoetsluis                                    2003
Geschiedenis van Holland      deel 1         Uitgeverij Verloren BV                                       2002
De lage landen bij de zee                       Uitgeverij  W.de Haan  Zeist                               1961
Ons voorgeslacht jrg 1989                     J.C. Kort Zuidhollandse Vereniging voor Genealogie
Nieuwere Geschiedenis                          E.P. Fruytier                                                     1923
Kloosters en kloosterabdijen                   Kristina Krüger  Ulmann                                      2007        
Christendom door de eeuwen heen        Tim Dowley  Ark Media                                      2009
De abdij  Ter Doest  Lucien den Dooven   Uitg. Groot Ter Doest                                       2002
Lotgevallen der volkeren J. Kleintjens       Prof. Dr. H.F.M. Huybers Dieben                          1930
The art of illuminating W.R. Tymms          Studio Editions                                                1987

Ter gelegenheid van het project ‘Voorne Vensters’  Stichting SBK Zuid-Hollandse Eilanden

Het kon aangekocht worden, prijs n.o.t.k., ook bruikleen was mogelijk.
Door gebrek aan belangstelling is 15 oktober 2013  het object vernietigd.

Hellevoetsluis 1 november 2011

© A.C. Pieké – email: Dit e-mailadres is beschermd tegen spambots. U heeft JavaScript nodig om het te kunnen zien.

Laatst aangepast (vrijdag, 25 oktober 2013 11:48)