Opzet Marine Torpedodienst in Hellevoetsluis

Opzet ‘Marine-torpedodienst in Hellevoetsluis’

Beknopte kroniek.
Algemeen: voorgeschiedenis en ontwikkeling van mijnen en torpedo’s tot de uitvinding van de Whitehead Torpedo in 1866 en de uiteindelijke beslissing van de marine om in 1875 een torpedodienst op te richten.
De landmacht verrichtte vóór 1875 in Hellevoetsluis en Brielle al proeven met mijnversperringen, zij gebruikte het Haringvliet en Maas als oefenterrein.

1875-1890
De eerste spartorpedoboot 'Nummer I', kwam op 22 februari 1876 ter beschikking. Zij was gebouwd  in Engeland bij de firma Yarrow in Londen.  Er werden tot 1883 voor de marine, 22 van deze  schepen gebouwd, De marine komt beter in beeld na de uitontwikkeling van de "Visch- of Whitehead torpedo" in 1872. Een aantal schepen werd aangepast voor de nieuwe torpedo, dit om het nieuwe wapen te kunnen lanceren. Aan de kade werden gebouwen ingericht voor het moderne marineonderdeel. In 1883 doet de 'Visch-torpedo' officieel zijn intrede en moeten opnieuw aanpassingen aan schepen worden doorgevoerd. In 1890 volgt tenslotte reorganisatie van de dienst.
Hellevoetsluis: de eerste gebouwtjes werden vermoedelijk al in 1875 ingericht als werk- opslag en kantoorruimte. In oktober 1877 inspecteerde de Chef van de Marine-torpedodienst het materieel en rapporteerde dat ‘alles in beste orde werd bevonden’. In dat zelfde jaar werd er een materieelvoorschrift uitgegeven door het Departement van Marine, betreffende: HET ONDERHOUDEN, GEREEDMAKEN EN BEHANDELEN van SPARTORPEDO'S.

1881 Er waren spartorpedoboten in Hellevoetsluis gestationeerd. Na 1885 werden deze voorzien van lanceerbuizen, geschikt om de Whitehead-torpedo's af te vuren.
De spartorpedo werd nog tot 1904 gebruikt, maar tenslotte kreeg de vis-torpedo de voorkeur. Er werden in deze periode meerdere schepen gebouwd, die geschikt waren om met  modernere types torpedo’s te worden uitgerust
De Amstel wordt ingericht als logementschip voor de torpedodienst. Het Kanaal door Voorne is tussen oktober 1885 en november 1887 gebruikt als inschietbaan voor de 'Visch-torpedo'. Vanaf 1888 werd in de schilderswerkplaats op de Rijkswerf gewerkt aan het inrichten van een vistorpedomagazijn en een torpedoatelier.
In 1884 bestelde Nederland, na veel overleg en geaarzel, 30 stuks Whitehead torpedo's.

De spartorpedo bij de Nederlandse marine.
1870- 1904
.
De spartorpedo was niet meer dan een lange houten paal van ± 7.5 meter, waarop de kop van de paal een stalen ketel was gemonteerd gevuld met 50 kg van het zeer explosieve schietkatoen. De bedoeling was dat dit wapen op een diepte van ca. 3 meter, tegen een vijandelijk doel onder de waterlijn, tot explosie werd gebracht. Het Departement van Marine voerde in 1871 in haar begroting 28 stuks spartorpedo's als voorraad op, voor de som van ƒ 6000.-.
Veel experimenten werden uitgevoerd met roeisloepen. In 1874 werd met een spartorpedo een proef gedaan aan boord van de stoombarkas no. 2. Onder bezielende leiding van de bootcommandant, die de spartorpedo op de boot naar het doel bracht, moest middels een touw, later met een elektrische schakeling, de 50 kg schietkatoen tot ontploffing worden gebracht. De enorme explosie die dan volgde, gaf weinig of geen overlevingskans voor de bemanning. Het zal geen verbazing wekken dat met het gebruik van dit wapen bij oorlogvoerenden, de nodige levens in eigen gelederen kostten en na 1900 in onbruik raakte.




                                         Spartorpedoboot: Memoriaal van de Marine. Amsterdam 1880 door B.J. Tideman

1890-1913
De marineleiding besloot in deze periode de torpedodienst te belasten met het doen van proefnemingen met verspermijnen. Omstreeks 1907 kreeg de torpedodienst ook de zorg over het onschadelijk maken van aangespoelde, drijvende, opgeviste of geveegde mijnen. De in gebruik name van de eerste onderzeeboot in 1906 zorgde eveneens voor een nieuwe scheiding in de taken van de torpedodienst.

Hellevoetsluis:  vanaf 1 september 1890 is er sprake van een Chef van het Torpedo-atelier in Hellevoetsluis en worden er jaarverslagen gemaakt. Er is sprake van oefeningen op het Haringvliet. Met de uitbreiding van het takenpakket voor de torpedodienst moesten er nieuwe voorzieningen komen. In 1905 werd begonnen met de bouw van een nieuw Torpedo-atelier langs de destijds nieuw gegraven Veerhaven (tegenwoordig is dit een jachtclub). Ook moesten er speciale magazijnen komen voor de opslag van schietkatoen (schietkatoenloodsje). In 1913 werd een nieuw verspermijnenmagazijn langs de tramweghaven gebouwd, dienend voor de opslag van verspermijnen en torpedokoppen, met faciliteiten om de mijnen eenvoudig vanuit het magazijn in schepen te laden.

1914-1918
Algemeen: de Eerste Wereldoorlog zorgde voor veel moeilijkheden: blokkades en de Duitse duikbootoorlog zorgde voor schaarste aan voedsel en grondstoffen. Een bestelde lading torpedo’s werd nooit geleverd. De torpedodienst verzorgde de bewaking van de zeegaten door middel van mijnversperringen.

Hellevoetsluis: vanuit Hellevoetsluis werden mijnen gelegd in tal van riviermondingen, waarna ze ook verantwoordelijk waren voor het onderhoud van deze versperringen. Tevens moesten ze mijnen die in grote aantallen langs de kust aanspoelden demonteren of vernietigen.

1919-1933
Algemeen: tussen 1923 en 1929 maakte de torpedodienst onderdeel uit van de onderzeedienst, maar vormde daarna weer een zelfstandig onderdeel. In 1924 werd het torpedo-atelier in Amsterdam opgeheven en ondergebracht in Den Helder.

Hellevoetsluis: Een combinatie van factoren betekende het einde van het torpedoatelier. De demobilisatie na de Eerste Wereldoorlog, afdanking van talloze afgeschreven torpedoboten, de bouw van een station voor torpedoboten in Vlissingen, een reorganisatie van de marine-torpedodienst en de economische crisis. Per 1 juli 1923 werd het torpedoatelier onder toezicht van de Directeur van de Rijkswerf gesteld. Dat vormde een aanzet tot inkrimping en uiteindelijk liquidatie van de dienst op 1 juni 1933.

1933–heden
Algemeen: de Tweede Wereldoorlog vormde een onderbreking van de dienst, die intussen vanuit Engeland en Australië het vaderland verdedigden. Vanaf de jaren vijftig gestage modernisering van de vloot en geschut.
Hellevoetsluis: het mijnenmagazijn aan de Tramweghaven bleef tot 14 mei 1940 in functie. In de oorlog ongetwijfeld gebruikt door de bezetter.

In april 1959 werd de oude mijnenlegger Hr. Ms. Douwe Aukes als stationsschip voor de mijnendienst afgemeerd langs de kade van de werf Niestern, op de voormalige Rijkswerf. Niestern had opdracht gekregen om oude mijnenvegers te repareren. De Douwe Aukes deed enige tijd dienst als logementschip, totdat op 1 februari 1962 een marinekazerne in gebruik werd genomen. In het verspermijnenmagazijn werden reserveonderdelen en inventarisartikelen voor mijnenvegers opgeslagen. Op 29 februari 1968 vertrok de mijnendienst door een reorganisatie weer uit Hellevoetsluis. Tot 1970 werden in het magazijn nog voor mobilisatie bestemde voorraden van de Commandant der maritieme middelen Rijnmond bewaard. Daarna werd een en ander overgedragen aan Domeinen en in 1972 deels aan de gemeente Hellevoetsluis verkocht.


MARINE TORPEDO- EN LANDMACHT TORPEDODIENST
HELLEVOETSLUIS

Het begin.
Al in 1628 werden bij het ontzet van La Rochelle, met weinig succes, water–springbussen of onder watermijnen gebruikt. In 1655 leek een wisselend succes toch te worden beloond toen Le Marquis de Worcester een “Schepen vernielende machine” uitvond, welke geheel volgens een bedacht principe van een Hollander in werking werd gesteld door een uurwerk, een bijkomend probleem was dat er een duiker nodig was om het toestel aan het schip te bevestigen. Uitvindingen kwamen en gingen en geslaagde pogingen verdwenen dikwijls in de prullenbak van de geschiedenis.

Kustverdediging werd in het tweede deel van de 19e eeuw actueel mede door de opgedane ervaringen in de Amerikaanse Secessieoorlog van 1861-1865, waarbij het belang van een goede kust verdediging was aangetoond. In deze oorlog vergrote de 'Geconfedereerden' of Zuidelijke staten het effect van hun schepen met het leggen van mijnen. In deze oorlog ging geen enkel schip verloren als gevolg van een zeegevecht, maar wel werden er ongeveer dertig schepen, van de “Union” met mijnen en torpedo’s vernield.
In 1864 vond er een demonstratie plaats door de Amerikaanse Marine Officier M.F. Maury te Manchester. Maury stond in die tijd aan het hoofd van een torpedobureau te Richmond U.S.A. en kocht in Engeland torpedo onderdelen voor de Zuidelijke Staten in Amerika.

In 1866 wordt Kltz. J. M. Vandevelde naar Londen gestuurd om een cursus elektroschok-torpedo’s van Maury te volgen. In 1867 laat van Vandevelde onder zijn leiding een elektroschok - torpedo’s onder zijn leiding overbrengen van de Rijkswerf van Amsterdam naar Brielle.

In 1868 beschikte men dan over twee torpedo typen, de verankerde torpedo en de elektro–schoktorpedo. De eerste werd mechanisch tot ontploffing gebracht, de elektro-schoktorpedo werd door elektronische ontsteking, de inductieklos of de “coil van Ruhmkorf ”, geactiveerd.

Of deze torpedo’s geheel in eigen beheer waren vervaardigd, is tot heden niet bekend. Waarschijnlijk zal de vitale elektrische apparatuur in Engeland zijn aan gekocht. In Durgerdam worden dan onder leiding van Vandevelde proeven gedaan met waterbestendige geïsoleerde elektrische kabels. In 1869 komt de Eltn. Van Houtem naar Hellevoetsluis om proeven te nemen met de elektroschok-torpedo’s.

De Nederlandse kustverdediging.

De verdediging van de lange Nederlandse Noordzee- en de toenmalige Zuiderzeekust was in het tweede deel van de negentiende eeuw een geïntegreerd onderdeel van de totale landsverdediging, waarbij de hulp van een ander onderdeel van de Nederlandse krijgsmacht, zoals de marine, noodzakelijk was.

Als belangrijk uitgangspunt voor de kustverdediging werd in 1844 in een rapport van de Commissie voor de kustverdediging een plan van 59 miljoen gulden vastgesteld en waarbij de versterking van de kustverdediging werd vastgelegd.
In het rapport van 1844 werd vastgesteld, dat de verdediging van de belangrijkste toegangswegen van uit zee door forten aan de kust zou gebeuren, inbegrepen de Zuiderzeekust. De verdediging van de kust tegen landingen van vijandige legers, zou voornamelijk een taak zijn van het veldleger, ondersteunt door de marine, waarbij de belangrijkste toegangswegen van uit zee, zouden zijn afgesloten door de kustforten van Den Helder, IJmuiden, Pampus, Hoek van Holland, Hellevoetsluis en Willemstad.

Daar Nederland in 1864 vreesde voor Franse landingen op haar kust, werd een rapport uitgebracht door de Commissie Kustverdediging waarin het advies werd meegegeven om 50 miljoen gulden voor de kust verdediging uit te trekken. Dit plan werd niet volledig uitgevoerd, maar het torpedowapen, dat relatief laag in prijs qua aanschaf en onderhoud was, maakte wel deel uit van deze rapportage.

Het woord “torpedo” was in de negentiende eeuw de aanduiding voor een explosief dat dienst deed bij en ter verdediging van rivieren en havens. Deze explosieven werden geplaatst op een houten frame, dat was verankerd op de bodem van de desbetreffende haven of rivier. Het woord watermijn komt dan dicht bij de betekenis van wat nu een verankerde zeemijn zou worden genoemd.
Wat heeft het voorgaande met Hellevoetsluis van doen? Het torpedowapen zou een niet onbelangrijk wapen in de kustverdediging kunnen zijn om het vaderland te verdedigen.
Het toenmalige Ministerie van Oorlog moest voortduren onder politieke druk streven naar een defensie apparaat met een “low – profile”, daarbij zoekend naar goedkope en effectieve middelen voor de landsverdediging. De achtergrond in deze was om te voorkomen dat de Nederlandse krijgsmacht een aantrekkelijke partner zou zijn of worden in dreigende Europese militaire conflicten.
Voordat men 1871 schreef waren er veel beproevingen geweest met verschillende typen torpedo’s en mijnversperringen, pas in 1866 wordt de commissie “Beproeving van Watermijnen” opgeheven, gevolgd door legering van het bataljon mineurs en sappeurs te Brielle dit in oktober 1866.

In 1871 wordt de naam “Marine Torpedodienst” voor het eerst officieel gebruikt, dit is gedaan om het verschil te benadrukken met de “Nederlandsche Torpedo Compagnie”, die als landmacht onderdeel te Brielle was gelegerd.
Erkenning van de marine Torpedodienst en de Nederlandse Torpedocompagnie, als dienstvak, vond plaats in 1875. De marine was gelegerd in Amsterdam, Hellevoetsluis en Willemsoord.

De bediening van de torpedo- of verankerde mijn werd in eerste instantie toegewezen aan de landmacht, het onderdeel “Vesting Artillerie”, uit dit onderdeel werd in 1881 het “Korps Torpedisten” gevormd.
In 1881 waren er binnen de landmacht twee torpedo compagnieën, één in Brielle en één in Den Helder. Staf en manschappen telden 328 man. De mineurs en sappeurs krijgen een extra vijfde compagnie, die in Brielle wordt gelegerd.

Na 1922 werden torpedisten en pontonniers geleidelijk overgeheveld naar het “Wapen der Genie” (1927).
Het is niet duidelijk of het Koninklijk Besluit van 25 november 1881 no. 23 en waarbij een aantal garnizoensveranderingen zijn aangegeven, die op 1 mei 1882 zouden plaatsvinden, de aanzet was om van uit het 4e regiment Vesting Artillerie de 5e compagnie, om te vormen tot de torpedocompagnie voor Brielle en/of Hellevoetsluis.

Het torpedostation te Hellevoetsluis.
Het torpedostation werd gevestigd in de caponnière, die was te bereiken via de poterne in het bastion I-II. Dit zal na de bouw of tijdens de aan passingen zijn geweest van het vesting front aan de westzijde in 1880, waarbij de bastions 1 en 2 bij elkaar werden getrokken ter wille van de uitvoering van de zware west – batterij en waarbij de caponnière waarschijnlijkheid in eerste instantie zal zijn ontworpen en gebouwd als kanonskelder voor flankerend vuur over de kapitale gracht, in zuidelijke richting over de Nieuwe Zeedijk.

De caponnïère het latere torpedostation bestond uit drie ruimten, twee ruimten als geschutskelders de andere grote ruimte diende als manschappenverblijf.

Vanuit het torpedostation, werd door middel van een elektrische kabel een torpedo tot ontploffing gebracht, dit met tussenkomst van een waarnemer, deze slapende torpedo’s waren verankerd op de bodem van het Haringvliet of Flakkee. Daarnaast waren er de wakende kontaktmijnen en verankerde torpedo’s, zij werden geactiveerd via een mechanische ontsteking of het fysieke scheepscontact.

De elektrische voeding voor de elektroschok–torpedo’s werd verkregen uit accubakken die door scheikundige werking elektriciteit produceerden. In Hellevoetsluis zou dit plaats hebben gevonden door een op stoom aangedreven aggregaat of middels een dieselmotor. Voor de laatste veronderstelling is geen bevestiging noch bewijs gevonden, dat dit plaatsvond in het torpedostation. Mogelijk stond er een aggregaat in de dubbele remise in bastion IV.

De Visch–torpedo.

In 1885 werd door de marine de eerste “Visch”-torpedo aangekocht van de Whitehead–Torpedofabriek te Fiume  (Nu Rijeka, gelegen in het voormalige Oostenrijk). De aangekochte torpedo liep in tegenstelling tot de “Spar”-torpedo op eigen kracht door het water, waarbij de noodzaak tot het afregelen of trimmen van een torpedo ontstond. In eerste instantie gebeurde dit in een zijkanaal van het Noordzeekanaal, later vond dit plaats in het Zuidelijk deel van het Kanaal door Voorne. Technisch personeel van de marine werd te Fiume tot “torpedodeskundigen” opgeleid. Bij terugkomst in Nederland werden zij opgenomen bij het Korps Torpedisten.
In de 1890, werden een aantal “Visch” - torpedoboten aangekocht waarbij tevens de wal faciliteiten werden uitgebreid. Hellevoetsluis en in de andere twee Marine Directies ontwikkelde zich tot volwaardige torpedoateliers.

In de koppen van torpedo´s zou als springstof schietkatoen worden gebruikt, dit materiaal was door haar temperatuur gevoeligheid, zeer instabiel.
Schietkatoen was op het einde van de 19 e eeuw, het meest gebruikte explosief voor militair en civiele toepassingen, zoals wegen– en tunnelbouw in rotsachtige gebieden. Na 1860 schoten springstoffabrieken uit de grond. Het fabricageproces was gevaarlijk en met enige regelmaat verdween er met een enorme knal een deel of een gehele fabriek. Met recht een “booming–industry”. Het schietkatoen eiste bij burgers en militairen zijn slachtoffers.

De springstof, schietkatoen vroeg om een eigen accommodatie, dit blijkt uit de correspondentie die het Departement van Marine met het Ministerie van Oorlog voerde, en waarbij men zich de vraag stelde of het mogelijk was dat de marine haar schietkatoen zou mogen bewaren bij dat van de landmacht.
In de zomer van 1891 werd het Ministerie van Marine op de hoogte werd gesteld van de oplevering van een nieuw magazijn voor het droge schietkatoen met een wachthuisje te Hellevoetsluis in het bastion V.
Kennelijk hadden beide ministeries, in nauwe samenwerking, een speciale loods gebouwd waarin zowel de landmacht als de marine hun schietkatoen zou gaan bewaren. Landmacht en marine gebruikten schietkatoen als springstof in de torpedo’s die deel uit maakten van de versperringen of de kustverdediging.
Schietkatoen ladingen waren in munitiemagazijnen opgeslagen, die zo waren ingericht, dat men verzekerd kon zijn van een zo gering mogelijke nadelige invloeden, die konden worden uitgeoefend door temperatuur verschillen en vocht.

Caoutchouc (gummie/rubber) voorwerpen die diende voor de waterdichte afsluitingen van de mijnen werden in verband met bedrijfszekerheid in daarvoor ingerichte waterkisten opgeborgen. Vanuit het torpedomagazijn gelegen aan de Veerhaven konden de mijnen of torpedo’s door middel een railwagen naar de kraan op de laadsteiger worden gereden, waar zij in barkassen werden ingeladen.

In een beschrijving van deze magazijnen in een periodiek uit 1915 staat de kwaliteit van de gebouwen te Hellevoetsluis als volgt omschreven:
het blijkt dat de torpedomagazijnen, welke in 1914 omstreeks 30 jaren oud waren in der tijd modern waren ingericht en nog krijgt men, wanneer men de magazijnen beschouwd een gevoel van waardering voor de solide wijze waarop in vroege jaren de defensie belangen werden behartigd.
Ieder torpedomagazijn bezat een instrumentenkamer waarin alle instrumenten voorhanden waren, die voor het elektrische bedrijf nodig waren.
Nabij iedere mijn–  of torpedoversperring vond men aan de wal het torpedostation waarin eveneens de nodige instrumenten waren opgesteld en waarin de elektriciteitsbron, bakken met elementen en zuren, aanwezig was, met behulp waarvan men naar believen de gelegde mijnen al dan niet kon activeren.

Een eerste vluchtige beschouwing van een mijn leert ons de werking.
Een deel van de inwendige inrichting van de torpedo of mijn luidt als volgt:
in het lichaam bevinden zich
- de ladingbus met springstof
- de aanvuurlading met slaghoedje
- de afvuurinrichting

De ladingbus bevat ruim 100 kg springstof in het begin van de oorlog van 1914–1918, bestond deze lading uit nat schietkatoen (Engels) of picrinezuur (Duits) later algemeen vervangen door het gegoten trotyl. Over trotyl schreef men in 1915:
laatst genoemde springstof is op zichzelf niet gevaarlijk. Als men er met een brandende lucifer bij komt explodeert zij niet. Het trotyl smelt wel en is goed te gebruiken om kachels aan te maken bij gebrek aan petroleum.
Het trotyl explodeert alleen met een aanvuurlading, vroeger bestaande uit droogschietkatoen, nu vervangen door geperst picrinezuur en licht geperst trotyl, dat makkelijker detoneert dan schietkatoen. De aanvuurlading wordt op haar beurt tot detonatie gebracht door het slaghoedje gevuld met zeer ontplofbaar slagkwik.







                                           Inladen van mijnen. Aan de kraan, de mijn met bijbehorende verankering







Wat is schietkatoen:
schietkatoen is het enige preparaat, wat in haar eigenschappen en bruikbaarheid het dichtst bij eigenschappen van buskruit staat. Schietkatoen ook in de wandelgangen schietwol genoemd, bevat de ontplofbare stof pyroxiline, dat uit iedere plantenvezel is te bereiden, met behulp van zwavelzuur wat later door water wordt uitgewassen en gedroogd. De methode wordt algemeen gebruikt om plantenvezels die worden gebruikt voor de aanmaak van het schietkatoen volgens de methode die de professoren Schönbein uit Bazel en Böttger uit Frankfurt a.M. bijna gelijktijdig ontdekten en die de Duitsche Bond in 1846 hun uitvinding als vervangingsmiddel voor het buskruit presenteerde.
De Franse chemicuszen Braconnod (1833) en Pelouze (1838) hadden met het overgieten van plantenvezels met salpeterzuur gelijktijdig de brandbare preparaten ontdekt, maar zich niet verder verdiept in de explosieve eigenschappen.

Op verzoek van de Duitsche Bond vonder er in 1847/1848 in Mains en in 1850/1851 in Wenen proeven met schietwol plaats. De verantwoordelijke commissie die de resultaten moesten beoordelen luidde ongunstig.
Franse en Engelse proeven ondergingen hetzelfde lot. Bij de daar genomen proeven schijnen zware ongevallen te hebben plaatsgevonden.
Het nieuwe explosief bood vele hoogwaardige eigenschappen, zoals weinig residu of asresten en een geringe rookontwikkeling. De Oostenrijkse regering meende dat de voortzetting van de uitvinding alleen kon worden gegarandeerd door de uitvinding af te kopen, en daarmee het onderzoek zelf voort te zetten.
Een grote rol bij de onderzoekscommissie speelde een aantal artilleristen van naam zoals Hauslab, Lenk en de Minister van oorlog Degenveld. In de omgeving van Wenen werd het slot Hirtenberg aangekocht en omgebouwd tot schietkatoenfabriek.
Het vervaardigen van het schietkatoen vergt grote nauwkeurigheid, het reinigen en uitdrogen en de concentratie van het zwavelzuur verdienen hierbij alle aandacht.

De eerste behandeling met zuur bewerkt niet de totale omzetting, een tweede behandeling in nieuw zuur van 48 uur voltooide het proces.
Daarna volgt een lange reiniging in stromend water, dit spoelen moet zo lang worden voortgezet dat elk spoor van zwavelzuur is verwijderd, dit kan weken lang duren en alleen door het proces nauwkeurig te laten verlopen verkrijgt men hoogwaardig schietkatoen van een hoge houdbaarheid en een lagere hygroscopische gevoeligheid. De ontbrandingstemperatuur van dit schietkatoen ligt op 136º C.

In 1862 begon Oostenrijk met de omschakeling van buskruit naar schietkatoen. Dit voor een deel van haar artillerie, bij de troepen zelf was er geen vertrouwen voor het nieuwe explosief .
Rond 1865 zag een zekere Dr. Kellner uit Frankfurt a. M. kans het schietkatoen wat voor die tijd in gecomprimeerde vorm werd gebruikt en waarbij tijdens de procedure statische elektriciteit optrad, in korrelvorm te produceren. Dit was een stap voorwaarts mede om met de dosering de regeling van de explosie te kunnen controleren.
Nader op de werking van het schietkatoen ingaande concludeerde men dat 5 kg schietwol in een ruimte even zoveel drijfkracht aanlevert als 22 tot 27 kg. buskruit in een zelfde ruimte. De verbrandingsproducten die vrijkomen met de verbranding of explosie: stikstof, koolzuur, koolmonoxide en water, asresten zijn te verwaarlozen, de vrijkomende gassen zijn kleurloos. De genoemde gassen zijn voor de manschappen grotendeels onschadelijk, wat belangrijk is bij de dienst in de kazematten.
Proeven wezen uit dat het schietwol zijn beste werking heeft in bepaalde verhoudingen in kardoezen en patronen met een gewichtsverhouding van 1/4 tot 1/3 ten opzichte van het gebruikte buskruit.

Schietkatoen dat met ether of alcohol wordt behandeld levert een chemisch product het collodium dat gebruikt wordt voor het aflakken en dichten van kardoezen en patronen.
In Nederland werden de ontwikkelingen rond de kwestie rond het schietkatoen op de Pyrotechnische school te Delft gevolgd door de 1e luitenant der Artillerie J.W. Bergansius, deze bracht op 22 februari 1866 een rapport uit na zijn gevolgtrekkingen uit het eerder uitgebrachte:
beschouwingen over het Schietkatoen bereid volgens de methode van den Oostenrijksche Generaal Majoor Baron Lenk.

IV Gevolgtrekkingen uit de voorgaande beschouwingen
.
Al het geen wij hierboven mededeelden, zal wel doen zien, dat de schietkatoen kwestie vrij wel op het zelfde standpunt staat als twintig jaren geleden, toen men dit preparaat ontdekte Dr. Liebig heeft er van gezegd: “ Dit is het voortdrijvend middel der toekomst “, misschien heeft die geleerde gelijk, maar men zal dan, alvorens partij te kunnen trekken van de voordeelen die het aanbiedt,de hoofdbezwaren zoals: te snelle verbrandingen te gemakkelijke ontbrandbaarheid maar vooral de zelfontleding en zelfontbranding moeten wegnemen.

Enige conclusies:

dat Bergansius en de Pyrotechnische school te Delft, diep op de materie van het schietkatoen zijn ingegaan, de buitenlandse beschouwingen daar gelaten, valt te betwijfelen, gezien er in de gevolgtrekking van Bergansius slechts sprake is van één werkelijke proef die werd gedaan op het eigen gemaakte schietkatoen, dit om de problemen van de zelfontbranding en ontleding van het schietkatoen te onderzoeken.
Dit neemt niet weg, dat zijn eerder vermelde gevolgtrekkingen uit de hem beschikbare vakliteratuur, voor die tijd terecht zijn.

Pas na 1880, werd er in het Nederlandse Leger met gepaste terughoudendheid op groter schaal over gegaan op het gebruik van het schietkatoen als voortdrijvende lading, dit vanwege de rookzwakheid en de lage asrest van het explosief.
Na 1890, toen de springstof trotyl werd uit gevonden en deze een belangrijke rol ging spelen bij de latere ontwikkelde van de brisantgranaat, bleek de rol van het schietkatoen af te zwakken. Na de “Grote Oorlog “ (1914-1918) verdween het als zodanig, bijna geheel van het toneel.
Trotyl is in gegoten blokvorm ongeveer twintig maal veiliger in de schoktest dan schietkatoen en de detonatiesnelheid ongeveer 25% groter.

De ontwikkeling van het Nederlandse onderwater wapen vond zijn oorsprong tijdens de Amerikaanse – Burgeroorlog (1861-1865), waarbij de Zuidelijken Staten met succes gebruik maakten van een goedkoop defensief onderwater wapen.  Een bezuinigende regering die streefde naar een verkleinde marine kon doormiddel van dit nieuwe wapen toch een defensieve slagkracht in zee brengen.
Kijkend naar het wapen waar de leidinggevende officieren en manschappen van de landmacht toe behoorden, kan worden gezegd dat in de periode 1864-1900 het gebruik van de defensieve torpedo’s, de taak van de artillerie was.
De werkzaamheden aan het totale pakket van verbeteringen aan de stelling Hellevoetsluis voor de dienstvakken van en voor de verschillende wapens liep over een periode van 1876–1883.

De spartorpedo-vaartuigen I t/m XX ( Ook bekend onder 'Nummerboten').
Deze vaartuigen, waarvan de eerste in Engeland zijn gebouwd, bij een aantal fabrikanten die zich met de bouw van dit soort boten al enige ervaring hadden verworven.  Deze bereikten snelheden die vroeger nooit door scheepjes van zo geringe grootte waren bereikt. De lichte bouw maakten ze ongeschikt voor de normale diensten, zij werden beschouwd als werktuigen, die na enkele keren dienst te hebben gedaan, versleten waren.


                                                                  Torpedoboten in Koopvaardijhaven 1903

Toch zouden deze boten met enige aanpassingen en ten koste van een weinig van hun snelheid, een merkwaardig type  rivierboot vormen. Zeker hadden de ontwerpers de grens overschreden waarbij de verhouding tussen snelheid en vermogen, gunstiger was, dan die van de traditionele berekeningen. Zie hier voor: 'Memoriaal van de Marine', door B.Tideman.
Van de boten in Engeland gebouwd bedroeg de kostprijs, zonder de torpedoinrichting ƒ 50.000 tot ƒ55.000. Het later in Nederland gebouwde zelfde model met eenzelfde constructie kwam op ƒ 45.000, waarbij de orders over verschillende fabrieken en werven werden verdeeld. De werf van Kon. Mij 'De Schelde'  maakte een offerte van ƒ 37.000 per boot, bij meerdere  bestellingen tegelijk. Er waren twee typen boten, het Type I de in Engeland gebouwde boot en het Type II, bij deze laatste behoorden de in Nederland gebouwde exemplaren. Bij deze is de schroef voor het roer geplaatst.


Technische gegevens Type I              Type II
Lengte van het vaartuig over voor- en achtersteven             M  22.43            24.15 
Met inbegrip van schroef                                                   M  23.90            24.155
Grootste wijdte op de lastlijn                                             M    2,73              2,73
Idem op de hoogte van het dek                                         M    2.73              2.73

Stoommachine Type I en II:
Diameter hogedrukcilinder                                                 M  0.292
Diameter lagedrukcilinder                                                  M  0.488
Diameter schroef, driebladig                                              M  1.57
Aantal omwentelingen /min. van de mach. bij volle kracht:        360 - 400
Ontwikkeld vermogen circa                                                PK 240
Lengte van de stoomketel                                                  M  3.60
Vlampijpen:                                                                      Aantal 162, lengte totaal 1768 M
Brandstof:                                                                        Briketten

Aan het einde van de 19e eeuw werd geleidelijk overgegaan op het nieuwe torpedowapen, de fysieke torpedo, die zichzelf aandrijft. Daartoe werden de sparboten XXI en XXII, later de Etna en de Hekla genoemd, naar de werf van Yarrow & Co te Londen gestuurd (18 sept. 1885) om van lanceerinrichtingen te worden voorzien, waarbij de sparren werden verwijderd en boegbuizen ingebouwd. Op 16 febr. 1886 keerden zij in Nieuwediep terug, waarmee een nieuw tijdvak was begonnen, waarbij de A-B-C boten werden opgevolgd door G en Z boten. Interessant is het te weten, dat beide voornoemde boten ook nog met zeiltuig waren uitgerust.

Vermeldenswaardig is de historie van de torpedoboot K2, later de Christiaan Cornelis genoemd. Het was een boot uit de begroting 1904, gebouwd bij de Mij. voor Scheeps- en Werktuigen 'Fijenoord' te Rotterdam. De afmetingen van de boot waren:

lengte:                               30.00       m.                        47.9 ton waterverplaatsing 
breedte:                              3 60        m.                       592 Pk
romp boven water:               1.025      m.                       18.60 mijl
romp boven en onderwater:  1.725       m.                       Bemanning 12

Bewapening: 1 kanon van 3.7 cm, 1 torpedokanon, kosten van het schip ƒ 101400.-.  In 1914 is de Hr. Ms. Christiaan Cornelis, toegevoegd aan de Hr. Ms. 'Bonaire' voor oefeningen met machinist-leerlingen te Hellevoetsluis. Tijdens de mobilisatie in 1914, bracht het schip samen met de Makjan, een torpedoboot, een bezoek aan Maastricht. De reis volgde  heen en terug, de Zuid-Willemsvaart en werd dus deels over Belgisch grondgebied gemaakt.

Bronnen: J.M. Mohrman. Marinetorpedodienst 1875-2000.
Torpedo’s zowel bij land en zeemacht 1864-1900 (Mars et Historia, maart 2001).
Schiesspulver & Feuerwaffen. Leipzig Verlag von Otto Spamer.
W.G.M.H. Carnisius, W.F. Lichteringen en B.J. Gerritssen. Bewapeningswerkplaatsen der Marine 1953-1978.
Drs. B. Benschop, krantenartikel “Groot Hellevoet” 23-08-2006 Hellevoetse Kruitmagazijnen.
Dr W. Klinkert Den Haag 1992. Het Vaderland verdedigd.
J.W. Bergansius 1e Luitenant der Artillerie. Beschouwingen over schietkatoen, Delft 1866.
J. Mussert. Organisatie en werkwijze van het Korps Torpedisten. In J. Kooiman.
De Nederlandsche Strijdmacht en Hare mobilisatie in 1914. Pagina’s 873–886.
B. Tideman. Memoriaal van de Marine.
J.C.H. Jansen. Eigen archief.
M. Beckers-Heuker. Denkend aan Hellevoet (pers. uitgave 1984).

Hellevoetsluis sept. 2007
Auteur:J..C.H. Jansen.
Redactie: A.C. Pieké.
Illustratie- en fotobewerking: A.C. Pieké.

Laatst aangepast (woensdag, 15 januari 2014 12:51)