Admiraliteiten en vestingbouw Hellevoetsluis 1697-1715

Gedenkstenen in de revêttementmuren

Voorwoord
Na een boek over de vesting Hellevoetsluis te hebben geschreven, kwam de auteur tot ontdekking, dat een deel van de vestinghistorie in natuursteen staat gebeiteld. Het betreft de barokke gedenkplaten aan de zuidzijde van de fronten I-II en VII op de met steen beklede vestingwallen. Eerder had J.J. Walters in zijn boek ‘Vestingwerken van Hellevoetsluis’ de tekst van de stenen vertaald vanuit het Latijn. De aanleiding van dit artikel is echter een opmerking van J.J. Walters in zijn boek betreffende de naamgeving van de bastions Haarlem en Rotterdam die Walters raadselachtig noemde. Hij suggereert dat het wellicht met de in steen gehouwen namen van commissarissen te maken heeft die toezicht hielden tijdens de bouw en vernieuwing 1697-1715.
Hernieuwde aandacht geeft aan dat er met goed kijken en archiefonderzoek vaak meer te ontdekken en te beantwoorden valt dan gedacht, hoewel een enkele keer de beruchte brand in 1844 bij het ministerie van Marine ons parten speelde.

Oorzaak en aanleiding
Er had bij de Admiraliteitsraden een mentaliteitsverandering plaatsgevonden. Na 1674 was Engeland, de grootste handelsconcurrent, plotseling onze politieke bondgenoot geworden. Frankrijk, het winstgevende gebied voor de handel van de Republiek was nu de grootste vijand. Onze vloot diende voortaan de coalitiepolitiek met Engeland en niet langer de belangen van de handel. Kooplui en reders moesten bij de Admiraliteit bedelen om convooibescherming. 
Tegelijk voltrok zich een proces van ‘aristocratisering’ van de regentenklasse, die zich steeds meer uit het handelsleven terugtrok om zich uitsluitend toe te leggen op politiek en bestuur.
In het marinebestuur was dit goed merkbaar, de raden van de admiraliteit waren niet langer vertegenwoordigers van de koopmans- maar van de regentenklasse.


Oprichting van de Gecommitteerde Raad van een Admiraliteit

In 1687 wordt door een ‘Commissie van de gezamenlijke Admiraliteiten’ geconstateerd dat Hellevoetsluis totaal ongeschikt en te klein is om de oorlogsschepen van de Admiraliteit op de Maze te bergen, daarbij is geen rekening gehouden met de schepen van de VOC en anderen die in kwade tijden zoals ‘s winters bij ijsgang zich hier in veiligheid zouden willen brengen. Ook is het dok smal en niet diep genoeg. Door de nauwte bestaat het gevaar, in geval van brand dat alle schepen tegelijk verloren gaan. Daarbij is voor de haven een zodanige sterke stroom van eb en vloed, veroorzaakt door de grote diepte aldaar dat men er slechts bij zacht weer in- en uit kan varen.
Het lijkt er op dat koning van Engeland, stadhouder Willem III, hier het laatste woord heeft gehad en koos voor vernieuwing, baat en uitbreiding van de Hellevoetse haven. De door de Gecommitteerde Raden aangestelde Ingenieur-Kapteyn Willem Paen, die in opdracht van Willem III werkte, zou uiteindelijk de vesting voltooien.

Uitvoering van de fronten.
Het voormalige westelijk hoornwerk I en het vergraven bastion II ofwel het bastion Haerlem, vormen nu het front I-II. Het halve oostelijke hoornwerk VIII en het bastion VII, ofwel het Rotterdams bastion, lopen in elkaar over.
De zeewerende buitenzijden van deze bastions zijn met baksteen bekleed of gerevêteerd, uitzondering de westzijde van het front I-II.
De gerevêteerde wallen van de bastions, gelegen aan de oostelijke- en westelijke ingang van de ‘Haaven’, dragen ingemetselde natuurstenen gedenkplaten, omgeven door ‘cartouches’  (sierranden).
Deze zijn in reliëf gehouwen en dragen een aantal, uit de heraldiek afkomstige symbolen,  zoals familiewapens, verrijkt met kronen, festoenen en acanthusbladeren.
De beeldhouwer van de stenen in front I-II en VII en VIII is tot op heden niet achterhaald.
De gebeeldhouwde platen zijn door de tand des tijds behoorlijk aangetast en zijn toe aan een restauratie. De tekst is moeilijk leesbaar.

Gedenksteen in het front van bastion I-II
De indeling tot de steen. 
Heraldisch rechts: het familiewapen van Jacob Hoeufft, bestaande uit een Egyptisch- of hengselkruis, ook wel de Venusspiegel genoemd, in de kleur sabel (zwart) op een zilver veld.
Het wapen is gedekt met een kroon waarop tien parels, die kunnen verwijzen naar de ‘Heeren X‘ van de tweede West-Indische Compagnie (WIC).

Heraldisch links: het familiewapen van Johan Jansz Meerman, bestaande uit een meerman met vissenstaart, meerman en meermin behoren tot de zeemonsters. De meerman draagt een helm, zwaard en schild. Het wapen is gedekt met een kroon waarop tien parels, die kunnen verwijzen naar de ‘Heeren X’ van de tweede WIC.

De wapens zijn gescheiden door een struisvogel, deze kwam reeds voor in het Heerlijkheidswapen van de polders 'Oude en Nieuwe Struiten', in dit geval ziet deze uit voor vloot en haven, dit door de gekroonde velden die samen één ‘stede of muurkroon’ dragen.
In het medaillon de Latijnse tekst:

AUSPICIO ET CURA
D : D :
JAC HOEUFFT  et JOH. MEERMAN
REIP HOLLANDIA  CONSILIAR
AMPLISSIMC  NAVIUM  BELLIC:RECEPTACULO
ET INCENTIBUS CATARACTIS
IISDEM AUSPICIIS NUPER RESTAURATIS
MUNIMENTA HA.C ADDITA
MUROQUE  FIRMATA
ANNO  CIDIXXCIX

vrije vertaling:
onder opzicht en bestuur
van de heren
Jac. Hoeufft en Joh. Meerman
gecommitteerde raden van de Hollandse Republiek
zijn deze batterijen hier gebouwd
en met een muur versterkt
als veilige haven van schepen tot oorlog
en onder hetzelfde toezicht de grote sluizen
alhier onlangs vernieuwd en hersteld
in het jaar 1699.

Gegevens van Mr. Jacob Hoeufft: geboren Rotterdam 8 januari 1660, overleden te Dordrecht 26 juli 1717.
Zoon van Diederick Hoeufft en Maria de Witt, zuster van  Johan en Cornelis de Witt gedoopt te Dordrecht.
Jacob Hoeufft  staatsgezind - Tressaurier van de Kathedraal Utrecht. Mr. in de rechten,  burgemeester van Dordrecht, bewindhebber van de West-Indische Compagnie (WIC). Huwde in 1694 met Sophia Everwijn 1668-1746 Dordrecht 
Jacob pleegde een moord tijdens een jachtpartij en werd veroordeeld. Door bemiddeling van de Koning Stadhouder Willem III  is hij vrijgesproken. Met gevolg dat zijn staats- naar oranjegezindheid omsloeg.
Hij volgde Mr. Laurens Backer op als commissaris ‘tot de groote fortificatiën’.

Gegevens van Mr. Johan Jansz Meerman: geboren in Leiden 1655-1716, overleden te Den Haag.
Zoon van  Mr. Johan Meerman advocaat 1624-1675, burgemeester te Leiden, buitengewoon ambassadeur van Engeland en boezemvriend van Johan de Witt. Zijn Moeder was Gerardina van Nes (1623-1681). Joh. Janz Meerman was Staatsgezind en baljuw van Noordwijkerhout, raad en rentmeester-generaal van de grafelijkheidsdomeinen van Holland. Betrokken bij de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC). Huwde met Anna Doensdr van Groenendijk Gouda.
Hij volgde in juni 1697 Diederick Dickx op als commissaris ‘tot de groote fortificatiën’.


Gedenksteen  Hoeufft en Meerman                     Gedenksteen Dickx en Backer

Front I-II                                                          Bastion VIII


Gedenksteen in het front van bastion VII
De indeling van de steen.
Heraldisch rechts: het familie- en alliantiewapen van Diederik Dickx, bestaande uit een veld met vier wapens, die met de klok mee de volgende wapenfiguren dragen:
1ste kwartier drie lopende kieviten. De weidevogel staat symbool voor de lente en brengt vreugde en gezelligheid.
2de  kwartier draagt één keper of chevron, waar onder een wassenaar (een half maantje met gezicht ) is afgebeeld met de punten naar boven. Zij geldt als het Mariasymbool en de veranderlijkheden (getijden). De wapenfiguren zijn uit het blazoen van de vrouw van IJsbrand Dickx afkomstig.
Boven de keper, zijn rechts en links van de top, twee zespuntige sterren aangebracht, zij vertolken de roem en de edele gezindheid.
3de kwartier is horizontaal gedeeld, boven de balk zijn twee ‘kieviten' onder de balk één kievit, het is daarmee gelijk aan het eerste kwartier. 
4de kwartier is gelijk aan het tweede kwartier.
Zijn familiewapen is gekroond met een kroon met zeventien parels, die kunnen verwijzen naar de ‘Heeren XVII’, van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC).

Gegevens van Diederick Dickx 1650-1719, geboren te Haarlem, overleden op 22 september 1719 te Haarlem.
Zoon van Ysbrand Dickx, schepen van Haarlem en Maria van der Camer, dochter van de burgemeester Johan van der Camer. Hij huwde met Catharina de Neufville.
Diederik maakte zich door het ijverig en nauwgezet waarnemen van onderscheiden ambten jegens de stad zijner inwoning en het Vaderland zeer verdienstelijk.
Achtereenvolgens was hij in 1682 raad van Haarlem, in 1692 schepen en burgemeester, gecommitteerde raad in 1694, afgevaardigde ter Staten Generaal in 1703: hoogbaljuw van Kennemerland in 1708.
In 1693 bewindhebber van de Verenigde Oost-Indische Compagnie in 1689 hoogheemraad van Rijnland.

Gegevens van Mr. Laurens Backer geboren op 17 oktober 1664 te Amsterdam, overleden 25 april 1704 te Rotterdam.
Zoon van Cornelis Backer 1633 -1681, vroedschap van Amsterdam  en Catharina Raye 1641-1712  Rouen.
Ongehuwd.  Studeerde te Amsterdam en promoveerde aldaar in de rechten. Vestigde zich daarna te Rotterdam waar hij in 1692 benoemd werd tot lid van de vroedschap.
Van 1694 tot 1700 was hij bewindhebber van de West-Indische Compagnie der Kamer Rotterdam, in 1695, 1699 en 1700 burgemeester. Tussen 1693 en 1702  meermalen gedeputeerde ter dagvaart (periodiek rapportage aan de vroedschappen) en van 1695-1699 en van 1702 tot zijn dood gecommitteerde raad.

Heraldisch links: het (familie)wapen van Mr. Laurens Backer, midden horizontaal gedeeld en toont in bovenste wapenveld het beeld van een naar rechts uitziende uitkomende leeuw, dragende een granaatappel.
Het wapen verwijst vermoedelijk naar de functie van Mr. Backer, als bewindhebber bij de West-Indische Compagnie.
Het onderste wapenveld draagt een linker geschuinde balk en voegt geen informatie toe.
Het familiewapen is gedekt met een kroon met zeventien parels, vermoedelijk een verwijzing naar de ‘Heeren XVII’ van de VOC.
De twee familiewapens zijn gescheiden door een gevleugelde mercuriusstaf, het embleem van de god van de handel, omwonden door twee slangen. De staf heeft boven op een knop met daaronder twee vleugels, zij wordt gedekt door de snebbe– of scheepskroon.


Bij de beschrijving en uitvoering van familiewapens wordt in de heraldiek ervan uitgegaan dat men achter het wapen staat, zo wordt voor de kijker rechts, links en links voor de kijker rechts.

In het medaillon een poging tot reconstructie van een deels slecht leesbare Latijnse tekst:

AUSPIC    ET CURIS
D
:D:
DID.DICKX. ac LAUR.BACKER
COS.S.REIPHOLL.CONSIL.
MOLES. HAEC AUGUSTA.
STATION.SECUR. PORT . AMPLISS
MERCANT.PROFUCIO.BELLANT.RECEPTAC
INCHOATA ANNO MDCLXXXXVI

Vrije vertaling van het voorafgaande:
onder opzicht en bestuur van de heren
Did. Dickx en Laur. Backer
gecommitteerde raden van de Republiek Holland
dit grote werk van schietgevaarte
of grote batterij, tot een veilige Reede
voor deze zeehaven ten dienst van de koopvaardij,
begonnen   Anno 1696


Opmerkingen:
- De Koning-stadhouder Willem III, kon hier over meepraten toen zijn ‘Glorieuze vloot’ na uit Den Briel in een vliegende storm te zijn vertrokken, in Hellevoetsluis een noodstop moest maken, hier weinig of geen bescherming vond.
- Bijzonder is dat Willem III en de Staten van Holland het voor elkaar kregen, dat de VOC en de WIC 2, zoveel geld en effort staken in een te kleine oorlogshaven zonder achterland, strategisch ongunstig gelegen door de heersende windrichtingen. 
- De WIC maakte in die periode grote winsten met de goudtransporten naast het gewone goud, waren er ook de ‘zwarte goudtransporten’, de slavenhandel. Interessant lijkt het om te weten hoeveel slavengeld in de revêtementsmuren is gestoken.

Conclusie:
doel van het onderzoek was te achterhalen waarom de namen van de bastions I-II en VII werden toegedicht aan  toenmalige burgemeesters van de steden Rotterdam en Haarlem.
Eerder was uitgewezen, dat uitgezonderd de bastions III en VI, bij de naamgeving was uitgegaan van scheepsrampen. Daar waar nog twijfel was aangaande de bastions II en VII bracht door voortschrijdend inzicht, dat deze’ schepen van geweld’ de Haerlem en de Rotterdam, ten prooi waren gevallen aan oorlog en de zee.
De vier vernoemde personen op de twee gedenkplaten zijn vereeuwigd als vertegenwoordiger van de WIC en VOC.  Op iedere steen een persoon van de WIC en een van de VOC, zo ook dezelfde aandacht voor Staats- en Oranjegezindheid.
Voorts bevinden zich op de steen van het Haarlems bastion de naam: Hoeufft als burgemeester van Dordrecht en van de regent rentmeester-generaal Meerman te Den Haag. 
Op het bastion Rotterdam bevindt zich de steen met de namen van Backer als burgemeester van Rotterdam en van Dickx als burgemeester van Haarlem.
De veronderstelling dat de bastions naar burgemeesters van Haarlem en Rotterdam zouden zijn genoemd lijkt niet juist, temeer daar deze functie doorgaans voor twee jaren werd vervuld.
Vanuit de signatuur van de werken, mogen wij aannemen dat het hier twee beeldhouwers betreft.
Tot slot merken de auteurs op dat de vesting door haar naamgeving aan de werken in Nederland een belangrijke plaats inneemt, er is geen andere vesting in den lande die haar bastions of verdedigingswerken heeft vernoemd naar gezonken en/of  vermiste schepen. Te meer daar deze noodlottige ongevallen dicht tegen de datum aanliggen van de haven-  en vestingvernieuwing, waarmee onze vesting een eerbetoon lijkt te zijn voor de omgekomen bemanningen en haar schepen.


DE MACHT VAN EEN WERELDSTAD  IN DE 17e EEUW.
Inleiding:
De bestuursorganisatie van Amsterdam was ontstaan in de Middeleeuwen en bleef vrijwel ongewijzigd tot de Bataafse Revolutie in 1795. Aan de top stonden vier burgemeesters die door de grote oudraad, waarin de huidige- en oudburgemeesters en schepenen zitting hadden, werden gekozen. In tegenstelling tot veel andere steden had Amsterdam dus zelf de controle over deze benoemingen, wat haar een grote bestuurlijke autonomie opleverde. Ieder jaar werden er drie nieuwe burgemeesters benoemd, terwijl één mocht blijven zitten en zo de continuïteit kon waarborgen. Zij hadden de volledige regeringsmacht in handen, maar overlegden veel met de oudraad waarin twaalf oudburgemeesters zitting hadden. Daarnaast was er nog de vroedschap waarin belangrijke beslissingen werden besproken. Zij bestond uit 36 leden die voor het leven werden gekozen. De stadhouder kon echter ook ingrijpen in het stadsbestuur door leden uit de vroedschap te verwijderen, iets dat onder  andere in 1618,1650 en 1672 gebeurde. Burgemeesters werden doorgaans gekozen uit de leden van de vroedschap. Verder waren er in Amsterdam  nog talloze andere functies te verdelen zoals die van weesmeester, thesaurier of als leden van diverse bestuurlijke colleges of rechtbanken. De burgemeesters mochten veel van deze en andere ambten, zowel hoog en laag, benoemen. Vooral op de lucratieve ambten werden vaak familieleden benoemd en dankzij het benoemingsrecht konden de burgemeesters een  patronage netwerk opbouwen. Om in aanmerking te komen voor en plek in het stadsbestuur moest men voldoen aan een aantal eisen. Om burgemeester te worden diende men tenminste veertig, minimaal zeven jaar poorter (officieel burger) en voldoende rijk te zijn.
Voor een plek in de vroedschap moest men minimaal 25 jaar oud en zeven jaar poorter te zijn. Ook hierbij was een financiële onafhankelijkheid belangrijk, men ging immers vanuit dat deze mensen een goede opvoeding hadden gehad en daardoor gekwalificeerd waren. Officieel moesten de regenten pas vanaf 1650 de gereformeerde religie belijden, maar de meeste regenten waren ook in de periode daardoor in meer of mindere mate gereformeerd. Tijdens de bestandstwisten werd Amsterdam gedomineerd door de fellere contramonstranten die in 1618 wisten te bereiken dat zeven vrijzinnigere regenten werden verwijderd. Lang duurde de contraremontrantse overheersing echter niet, vanaf 1620 ging het stadsbestuur een steeds liberalere politiek voeren. Hierdoor was Amsterdam ook gematigd  ten opzichte van bijvoorbeeld katholieken en joden, hoewel zij wel werden uitgesloten van politieke ambten.

Het lidmaatschap van de vroedschap en de benoeming tot de hogere functies in het stadsbestuur gaf aan de regenten veel aanzien en macht. Ze behoorden immers tot de bestuurders van de machtige stad Amsterdam. Veel regenten probeerden  die macht en aanzien binnen  de familie te behouden. Door het benoemingsrecht belandden vele schoonzonen, zwagers en neven op lucratieve posten die hen moesten voorbereiden op een positie in het stadsbestuur. Veel van de zetels in de vroedschap werden dan ook weer opgevuld door familieleden. Dit werd wel beperkt door verwantschapsbepalingen. Burgemeesters mochten geen achterneven zijn en in de vroedschap mocht ook geen schoonfamilie tegelijk zitting houden. Deze bepalingen werden regelmatig geschonden maar vormden toch een rem op al te machtige regentenfamilies. Af en toe kwam het voor dat een nieuwkomer wist door te dringen tot het stadsbestuur. Die werd meestal gedomineerd door twee of meerdere facties. Een factie was een groep regenten met  hun onmiddellijke aanhang, vaak aanverwante familieleden, die gebonden werden door een gezamenlijke belang. Hierbij ging het vooral om macht, invloed en rijkdom en minder om ideële motieven. De kern van een factie werd vaak gevormd door één familie die de macht binnen de factie probeerden te houden door allerlei mensen aan zich te liëren. Zo ontstond ook een patriciaat. Onder de beloftes van steun in bepaalde kwesties werd hun kracht en macht op die manier vergroot. Doordat het hierbij vooral om eigenbelang ging  en minder om ideële motieven was er ook uitwisseling mogelijk tussen de facties. Dit betekende uiteraard niet dat overtuiging, geloof of het algemeen belang nooit een rol speelde. Belangrijk is echter wel dat regenten bij hun beslissingen zich vaak voor een belangrijk deel lieten lijden door het belang van de groep of van zichzelf. Een burgemeestersambt leverde veel macht en aanzien op en men deed veel moeite om dit te bereiken.
Het Amsterdamse stadsbestuur was zodanig ingericht dat met name de rijke burgers er zitting in konden nemen. Hoewel in tijden van crisis de stadhouder kon ingrijpen had zij toch veel macht. Doordat zij de rijkste en machtigste stad was van machtigste gewest kon Amsterdam ook veel invloed uitoefenen op de politiek van de Republiek. Die invloed lieten de regenten ook duidelijk zien. Zowel in individuele portretten als met de bouw van het nieuwe stadhuis in de jaren vijftig van de 17e eeuw identificeerden zij zich als echte leiders. De politiek werd gedomineerd door een  aantal families die de kern van het stadsbestuur vormden. Deze families wisselden echter van tijd tot tijd en slimme regenten wisten zich op het juiste moment bij  de juiste factie aan te sluiten. Een plek in stadsbestuur leverde macht en status op en was een goede manier op hogerop te komen in een maatschappij dat het minder van standen moest hebben dan elders in Europa.

De vier Commissarissen tot de fortificatiën van Hellevoetsluis.
Mr. Jacob Hoeufft – Mr. Johan Meerman – Mr. Diederick Dickx – Mr. Laurens Backer

Bij de bouw van het havencomplex te Hellevoetsluis waren bestuurders, ontwerpers, aannemers, opzichters en arbeiders betrokken.
De procesgang was  - Staten van Holland – Gecommitteerden Raden – Commissarissen tot de fortificatiën – aannemers – uitvoerders en arbeiders.
De besluitvorming berustte in principe bij de Staten van Holland en West-Friesland. Deze lieten de uitvoering over aan het betrokken college van Gecommiteerde Raden, te vergelijken met Gedeputeerde Staten.
De leden daarvan werden aangesteld ‘op credentie van’¹) de steden die een stem hadden in de Staten.
Twee hunner traden sinds 1628 op als Commissarissen tot de fortificatiën. Soms waren dat er meer.
De commissarissen waren belast met de halfjaarlijkse inspectie van de vestingwerken. Vanaf 1654 waren deze formele inspecties eenmaal per jaar.
Echter, bij bijzondere werkzaamheden kwamen zij veel vaker, voerden de algehele directie, hielden aanbestedingen, kochten materialen in, overlegden bij problemen met aangetrokken deskundigen, adviseerden Gecommiteerde Raden en deden ook zelfstandig voorstellen voor nieuwe projecten.
Hun taak gold niet alleen de fortificatiën, maar ook ‘s landswerken in ruimere zin, waartoe de haven, sluis en dok behoorden. De Commissarissen verzorgden de logistiek.
Toch waren zij geen vesting- of waterbouwkundigen, maar meestal burgemeesters, oud-burgemeesters of schepenen van grote steden. Zij hadden niet alleen formeel, maar ook letterlijk de leiding van een werk.
Zij werden bij hun inspecties geassisteerd door de in 1628 ingestelde Contrarolleur van ’s landswerken en fortificatiën. Een vooraanstaand ambtenaar, de eigenlijke vakman of ingenieur, vanaf 1690 werd de titel Contrarolleur-Generaal en zetelde in Den Haag. Hij was de man die ontwerpen, bestekken en begrotingen kon maken en alles wist van materialen en de prijsstelling. Hij richtte zich met memories tot de Raden en bracht op deze wijze tussentijds verslag uit van de meest belangrijke zaken. In Hellevoetsluis betrof het Willem Paan.
Zeker is dat Koning-stadhouder Willem III een beslissende rol heeft gespeeld bij het besluit tot de aanleg van de vesting.
De financiering van het complex kwam tot stand middels de Staten Generaal, de Admiraliteiten, bankiers, waaronder Mattheus Hoeufft en het eigen vermogen van Willen III, de grote financiële injectie kwam tot stand door de Joodse bankier Francisco  Lopez Suasso, waar de stadhouder bevriend mee was.
Vermeldingswaardig is dat Mattheus Hoeufft, een broer was van Diederik, een oom van Jacob Hoeufft. Voorts was hij de bouwer van het Johan de Witthuis aan de Kneuterdijk no 6 te Den Haag.

¹)  voorspraak - geloofsbrief


Optimus quisque nobilissimus
Iedere beste is de edelste Wapenspreuk van de familie Hoeufft

Jan Hoeufft de Jonge, afstammeling uit een oud adellijk protestant patriciersgeslacht, oorspronkelijk uit Waals Vlaanderen en waarvan nazaten door een zoon van Jan Hoeufft de Oude en N. van Delffe, zich verspreidde.
Jan de Jonge was een dapper krijgsman, ridder, raad en kamerheer van de hertog van Brabant. Hij diende onder de burggraaf van Lemburg en vocht in de slag van Bascrilze in Gulikerland. Dit blijkt uit een bevel van de hertog van Bourgondië en Brabant in het jaar 1368 aan Jan toegezonden waarin hij vermaand werd krijgsvolk aan te voeren en de goede voorbeelden van zijn voorouders na te volgen, als die ten allen tijde  hun vorsten trouw hadden gediend. Hij nam Roermond tot zijn vast verblijf. Hij huwde Maria Crummel en liet een zoon na Derick Hoeufft. Zijn nakomelingen werden aldaar tot de adelstand verheven en tot de regering bevorderd en vertoefde er tot 1586.
Vanaf 1394 kwamen leden, blijkens nog aanwezige schepenakten en zegels voor in de regering en het bestuur van de stad Roermond.
De nog bestaande adellijke familie, week uit om godsdienstige redenen ten tijde van de Reformatie naar Aken, later naar Dordrecht en Amsterdam, waar het geslacht tot de regentenelite ging behoren.

I Derick Hoeufft geboren in 1498 schepen Roermond, huwde 1526 met Catharina Vercken 1501-1560. Derick overleed vermoedelijk 12 mei 1572: uit dit huwelijk een kind volg II

II Johan Hoeufft geboren te Roermond 1536 week om godsdienstredenen in 1566 uit naar Aken, werd 22 december 1572 burger van Luik, houthandelaar aldaar, huwde Catharina van Wessem
woonde later te Heinsberg en overleed 4 maart 1621. Uit dit huwelijk: een kind volg III

III Diederick Hoeufft geboren Aken 1571, kwam einde 1601 van Luik naar Dordrecht, koperwerker aldaar deelde de onroerende goederen zijner ouders. Trouwde te Maaseyk met Anna Luls. Hij is overleden te Dordrecht 1634. Uit dit huwelijk: drie kinderen  volg IV abc

IVa Jean Hoeuft werd te Luik in 1587 geboren. Een Frans bankier, commissaris der Staten-Generaal bij het Franse Hof, thesaurier, raad en secretaris van koning Lodewijk XIII van Frankrijk. Een ambt dat hij tot zijn dood toe in 5 september 1651 bekleedde.
Vanwege het protestants geloof, veel met zijn vader rondgezworven en zich eindelijk te Rouen gevestigd, waar hij in 1601 genaturaliseerd werd. Samen met zijn broer Diederich werd veel geld verdiend in de oorlogsindustrie met hun kopermolens als leveranciers van de Staten van Utrecht. De investeringen werden gefinancierd met verkoop van WIC-aandelen en landerijen.
Toen hij tot koninklijk raad en secretaris benoemd werd, verhuisde hij naar Parijs, schoot de Koning herhaaldelijk geld voor en nam deel aan belangrijke financiële operaties, zoals o.a. de archieven van Jules Mazarin en van het huis van Oranje uitwijzen.
Hoeufft, heer van Fontaine-le-Compte en Fontaine Peureuse bleef ongehuwd en is overleden op 5 september 1651 te Parijs.
In 1736 werd het bezit bij Petit Poitou nabij Luçon in de Marais Poitevin verkocht.

IVb Christoffel Hoeufft huwde in 1611 met Agnes van Beeck, familietak uitgestorven.

IVc Mr. Diederich Hoeufft Heer van Fontaine Peureuse, werd geboren 1610 te Dordrecht en overleden in 1688. schepen van Dordrecht, lid van de Raad van veertig van Dordrecht, Bewindhebber van de WIC, gecommitteerde ter Vergadering van de Heren Staten van Holland en West Friesland, gemachtigd in het college ter Admiraliteit tot Rotterdam. Was zoals zijn broer Jean Hoeufft handelaar in koper en kanonnen. Hij huwde met Maria de Witt in 1641. Uit dit huwelijk: drie kinderen  volg V abc




Het schilderij bevindt zich momenteel bij de Rijksdienst voor Cultureel erfgoed in het depot te Rijswijk, het heeft de afmeting van 95 x 101.5 cm. Het betreft een afbeelding van de familie Hoeufft-de Witt: deze bestaat uit Diederick Hoeufft (1610-1688) en zijn vrouw Maria de Witt (1620-1681) met hun drie kinderen.
Diederik (1648-1719) is afgebeeld als jager met hond, in zijn hand een dode haas. Maria (1651-?) en Jacob (1660-1717)dragen bloemenkransjes. Het kunstwerk dateert 1664 en is geschilderd door David van der Plaes  (1647-1704).

In het originele werk is het gezicht van Maria de Witt door beschadiging onherkenbaar en is door mevrouw A.C. Pieké  enigszins geretoucheerd. De conditie van het schilderij is mslecht.

Va Diederik Hoeufft geboren Dordrecht 1648 en overleden te Utrecht 1719. Hij woonde in Utrecht en was domheer aldaar. Aide-de-camp van de generaal Steenhuysen, heer van Heumen, commandant van de krijgsbezetting binnen Gouda, kapitein van de cavalerie en adjudant-generaal van de graaf van Waldeck in het leger van de hertog Villahermosa in 1676.Bewindhebber van de WIC in 1684. Eveneens in 1707-10 van de VOC ter kamer van Amsterdam. Tevens had hij zitting onder de gedeputeerde Staten van de provincie Utrecht. Hij huwde te Amstelveen 13 februari 1680 met Isabella Agneta Deutz 1658-1694, dochter van Jan en Geertruida Bicker. Uit dit huwelijk 3 zoons en 5 dochters, waarvan de zonen op jeugdige leeftijd zijn overleden.

Vb Maria Hoeufft over haar is weinig bekend. Ongehuwd overleden.



Mr. Jacob Diederickz Hoeufft 1660-1717 


Vc Mr. Jacob Diederichz Hoeuft geboren te Rotterdam 8 januari 1660, gedoopt te Dordrecht.  Hij studeerde rechten te Leiden werd in 1691 raad van de stad Dordrecht en in 1700 burgemeester aldaar. Was afgevaardigde ter Staten van Holland en lid van de gecommitteerde raden, bewindhebber van de WIC ter kamer van de Maas, baljuw en dijkgraaf van Wieldrecht, landrost van Zuid–Holland en domheer te Utrecht. Tijdens de jacht werd hij door jachtopzieners bekeurd, hierover ontstond een twist en in zijn drift sloeg hij een man dood. Bij de gerechtelijke procedures liep ook hier de twist zo hoog dat prins Willem III er zich mee bemoeide en aan Jacob gehele vrijheid toekende. Jacob Hoeufft werd om deze reden prinsgezind en hierdoor in 1702 uit de regering van Dordrecht gezet. Hij trouwde in 1694 met Sophia Everwijn, dochter van Mr. Samuel Everwijn, burgemeester van Dordrecht en van Cornelia de Rovere. Uit dit huwelijk werden 14 kinderen geboren, vele belangrijke, bekende en succesvolle personen zijn hieruit voortgekomen.

Drooglegging
De familie Hoeufft had een groot aandeel in de drooglegging van een aantal plassen en moerassige streken in Picardië, Poitou en andere delen van Frankrijk, welke werken merendeels door Nederlandse ingenieurs werden uitgevoerd.
Het eertijds door verpestende moerassen omringde Bordeaux, noemde één van haar straten naar ingenieur Conrad Goossens, door zijn werken werd de stad van deze plaag verlost.
Voor de ‘Hollandse Polder’ werd destijds Leeghwater (1627) over de drooglegging geraadpleegd. Een polder ‘klein Vlaanderen’ en noordelijker, een vele kilometers lange ringvaart: ‘la ceinture des Hollandais’ (1643) van de uitgestrekte polder ‘klein Poitou’. Dit zijn herinneringen aan de vele overwinningen die onze voorvaderen behaalden op Franse bodem.
Vlakbij Quilleboeuf, de ruim 6 kilometer lange Digue des Hollandais (1618) en  tegenover Pont-Ste Maxence (1600-1627) een gebied waaraan de namen van van Dale, van Ens, Hoeufft en Fabrice ten zeerste zijn verbonden.

Wapenhandel
Vanouds her hield de familie Hoeufft zich bezig met de wapenhandel, mede door de hervatting van de oorlog tegen Spanje ontstond er een enorme vraag naar kanonnen, musketten en munitie. Het overzeese conflict verhoogde de vraag nog verder. Aan de andere kant werd handel geblokkeerd door het conflict tussen Denemarken en de keizerlijke troepen onder Tilly in 1627-1628. De afsluiting van de Sont dreigde de Republiek af te snijden van fabrikanten in Zweden Hamburg en Lübeck. Om het leger van materiaal te voorzien moest de productie verhoogd worden. Utrecht zou daar een belangrijke rol in spelen, vanwege de industrie die er al was. De stad was ideaal gelegen om een soort nationaal arsenaal te worden. Met het oog op de intensivering van de productie, verleende de Staten van Utrecht toestemming om een bedrijf op te richten.De grondstoffen waren ontdekt in het zuidoostelijk deel van de provincie. Voor de samenvoeging van koper en zink, nodig bij de productie van vuurwapens werden drie koperfabrieken opgericht bij Amersfoort. De smelterijen vereiste grote hoeveelheden turf voor brandstof, die werd geleverd door Jufferconventen. Diederik Hoeufft was een partner in de veenwinnende projecten.
De gehele onderneming leidde uiteindelijk tot een productielijn van 63 ovens. Waarvan 17 in de Republiek en 3 nieuwe in Utrecht. De 14 ovens die er al waren behoorde aan Gerard Thiens en Hoeufft.
In Zweden bevonden zich 32 ovens, waaronder 12 die toebehoorde aan Louis de Geer en 14 tot Thiens en zijn partners, daarnaast nog 14 ovens in Hamburg en Lübeck. Door toetreding van Zweden in 1630 tot de dertigjarige oorlog, steeg het politieke belang van deze multinationale industrie.

Suiker- en slavenhandel
Doordat Dordrecht als eerste in Holland in 1220 stadsrechten verkreeg, had zij veel aanzien en macht en mocht zij de raadspensionaris leveren, zoals bijvoorbeeld Johan de Witt en Jacob Cats die beide uit Dordrecht kwamen. Ook had zij in de Staten van Holland het recht om als eerste te stemmen waardoor andere steden haar zaak volgden. De3e grote handelsstad van Holland, was een geduchte concurrent voor Rotterdam en Amsterdam. Deze steden probeerde dan ook Dordrecht buiten de VOC te houden die in 1602 was opgericht. Maar al snel had Dordrecht daar wel participatie in via aandelen.
Toen op 5 juni 1621 de WIC werd opgericht, deed Dordrecht er alles aan om een groot aandeel te verkrijgen in de handel naar West Indië in de vorm van aandelen.
Zij werd ingedeeld in de ‘Camer van de Maze’ waarin ook Rotterdam en Delft waren ondergebracht.
De Dordtenaren handelden vanaf 1634 tot 1654 met hun schepen in suiker en slaven.

De regentenfamilie Hoeufft waren sterk betrokken bij de stedelijke regering van Dordrecht, zo ook bij de aandelenuitgifte van de WIC. Met de handel in suiker werden enorme bedragen verdiend. Het was lange tijd de grootste bron van inkomsten, Het werken op de suikerplantages en in de daarbij behorende suikerfabrieken/suikermolens, die 24 uur in bedrijf waren, was zo zwaar en gevaarlijk werk dat veel slaven er het leven bij lieten. Dat vroeg om een dubbel aantal slaven per jaar om de suikerproductie te continueren. Enkele doelstellingen van de WIC waren de organisatie van suiker- goudtransporten en de handel van slaven. Om dit te bereiken overvielen zij de slavenmarkten en forten op de west en zuidwestkust van Afrika. De gouverneur van Nederlands Brazilië, Johan Maurits van Nassau te Recife gaf in 1640 opdracht om een aanval te doen op de slavenstations van de Portugezen in Sao Paulo te Lohanda in Angola.Op 31 mei 1641 vertrok admiraal Cornelis Jol vauit Recife met een vloot van 21 schepen op weg naar Angola met aan boord 2.000 man en 850 matrozen. Tussen augustus en oktober 1641 veroverde hij de stad Loanda en en suikereiland Sao Tome voor de kust van West Afrika. Vanaf die tijd tot 1648 werden van dit slavenstation alleen al 14.000 slaven naar Brazilië verscheept. De handel nam zulke grote vormen aan dat de WIC in 1641 besloot om in Curaçao een slavenstation te maken en van daaruit de slaven te verkopen aan Zuid-Amerika, de West-Indische eilanden en Noord-Amerika. Tussen 1636 en 1645 werden er ruim 23.000 slaven verhandeld, waarbij de winst ruim  € 3.000.000 bedroeg.
Per schip werden de slaven na een tocht van ca twee maanden op zee aangevoerd in Curaçao. Na een
eerste inspectie door 2 artsen ondergebracht in de plantage ‘Zuurzak’ ten oosten van Willemstad.

Gegevens en wetenswaardigheden van de familie Meerman

Delfts-Leids regentengeslacht: Meerman, bijna vier eeuwen bekend en in aanzien geweest. Verscheidende takken hebben zich tot op de huidige tijd verspreid in Holland, Brabant en Duitsland. Een geslacht met een enorme staat van dienst. Veelal terug te vinden op hoge ambten, geleerden, bestuurders en staatkundigen.

Govert Cornelisz de Vlieger, genoemd in 1480, kreeg vijf kinderen: zoon Diederik Govertsz, raad en schepen van Delft, binnenhavenmeester, weesmeester en kerkmeester, trouwde met Maria Meerman, dochter van Gerard Meerman. Hij kreeg  zeven kinderen, nam voor zichzelf en voor zijn nakomelingen de naam Meerman aan. Overleden in 1544. Een zoon Frans Meerman volg I

I Frans Dirk Govertsz Meerman (1515-1558) huwde te Delft met Elisabeth van der Burch. Het tweede huwelijk was met Catharina Sasbout een burgemeestersdochter van Delft. Ze kregen vijf kinderen.  Een zoon uit dit huwelijk Gerard Meerman: volg II

II Gerard Fransz Meerman (1541-1600), was burgemeester van Delft in 1580. Huwde met Agnes van Santen. Zij kregen vier zonen en een dochter die jong stierf. Een zoon Frans Meerman

III Frans Gerardsz Meerman (1593-1638) advocaat te Den Haag. Huwde met Gertruda Ruychaver, dochter van Maerten Ruychhaver (1545-1626), handelaar in buskruit en in 1602 burgemeester van Haarlem en Aletta van der Laen (1542-1626). Zij kregen vijf kinderen: zoon Gerard Fransz Meerman: volg IV

IV Mr. Gerard Fransz Meerman geboren in Delft 1593-1638 te Leiden
advocaat Hof van Holland te Leiden, huwde in Theodora van Hogeveen in 1622 drie kinderen  en met Maria de Bye (1601-1652) en een dochter een twee zonen: Jan Meerman: volg IV. En Maarten Ruichaver

VI Mr. Jan Gerardsz  Meerman geboren te Leiden 1624-1675 te Leiden., advocaat te Leiden en Remonstrant,, gezant voor Engeland, burgemeester te Leiden, lid van de Staten Generaal, raad en rentmeester de Grafelijkheiddomeinen van Holland. Boezemvriend van Johan de Witt. Huwde in 1648 met Gerardina van Nes 1624-1681. Hieruit werden vijf kinderen geboren. De derde zoon was  Mr. Johan Jansz: volg VII 



Jan Gerardsz Meerman                    Gerardina van Nes

VII Mr. Johan Jansz
Meerman geboren te Leiden 1655, baljuw van Noordwijkerhout en raad en rentmeester-generaal van de Grafelijkheidsdomeinen van Holland. Joh. Janz Meerman was Staatsgezind. Hij huwde met Anna Doensdr van Groenendijk Gouda. Hij is overleden in 1716 te Den Haag. Vele, vele nazaten volgden.

Hij volgde in juni 1697 Diederick Dickx op als commissaris ‘tot de groote fortificatiën’.

Meermansburghof
Na zijn vier kinderen te hebben overleeft stichtte Maarten Ruichaver Meerman (1627-1684) met zijn vrouw Helena Verburg (1630-1683) het Meermansburghof aan de Oude Vest. Het grootste hof van Leiden. De naam is een samentrekking van de achternamen van de stichters, Maarten was bewindhebber van de Verenigde Oost-Indische Compagnie.
Het puissant rijke echtpaar stichtte nog bij leven dit complex, bedoelt voor de huisvesting van hulpbehoevende maar eerzame en ongetrouwde vrouwen ouder dan 40 jaar. Het huis werd bestemd voor minvermogende familieleden van de stichters. Het is het enige voorbeeld van een zogenoemd ‘familiehuis’ in een Leids hof.
De grote rijkdom van de stichters maakte het mogelijk om de opdracht voor het poortgebouw toe te kennen aan Jacob Roman, hofarchitect van stadhouder Willem III en in 1681 aangetrokken als stadsarchitect van Leiden.
In de regentenkamer hangen nog altijd de schilderijen van de stichter en hun jongste dochter. Latere generaties regenten hebben verschillend familieleden ernaast gehangen, zodat er nu een indrukwekkende collectie portretten uit de 17e,18e en 19e eeuw te zien is.

De boekenverzamelaars Gerard Meerman (1722-1771) en zijn zoon Johan Meerman (1753-1815) beiden doctor in de rechten, liggen begraven in een praalgraf in de Pieterskerk te Leiden. Johan Meerman, heer van Dalem en Vuren, en werd hij in 1811 door Napoleon tot graaf verheven Compte de l’Empire, bestuurder en letterkundige. Enige zoon van Gerard Meerman, baron van het Heilige Roomse Rijk, heer van Dalem en Vuren, stadspensionaris van Rotterdam en Maria Catharina Buys.
Hun kleinkinderen zijn nauw verbonden met de oprichting van het Museum Meermania-Westreenium.
Het is gevestigd in het voormalige woonhuis van de stichter van het museum Willem Hendrik Jacob, baron van Westreenen van Tiellandt (1783-1848) aan de Prinsessegracht in Den Haag. Museum Meermanno, zoals het tegenwoordig heet is het huis van het boek. Het is het oudste boekenmuseum ter wereld.

Gegevens  en wetenswaardigheden van de familie Dickx
De naam Dickx kent uit het verleden verschillende schrijfwijzen: Dicx –Dikx - Dix- Diks en Dieks.

De Bierbrouwerij ‘het Scheepje’
Het Scheepje’; heeft zijn ontstaan te danken aan de familie Dirksz Dix. Het eerste lid van deze familie dat wij kennen, Dirk Dirksz de Oude, schipper, kocht in 1565 van scheepmaker Cornelis Cornelisz de Oude, een huis en erf op de Scheepmakersdijk. Dank zij zijn huwelijk met de vermogende Griete (Guurtgen) Cornelisdr Geltsack zou hij een zekere welstand verwerven.
Zijn zoon Dirck Dircksz de Jonge zou het te Haarlem tot eer en aanzien brengen. Hij kocht op 12 februari 1606 van Dirck Roelen Coolman een huis en erf in de Spaarnwouderstraat, met een poort ernaast, belendend o.a. het Wielmakers-(Melkboers)steegje. Vervolgens kocht hij op 17 mei van dat jaar als echtgenoot van Cornelia Cornelisdr. Jonck, met wie hij op 11 juni 1595 gehuwd was, zijn mede-erfgenamen in het bezit van een huis op de Scheepmakersdijk uit.
Dirck Dircksz de Jonge wordt dan nog schipper genoemd. Spoedig daarop is hij van beroep veranderd, want in 1607 wordt hij als brouwer in het gilde ingeschreven.. De brouwers vormden te Haarlem de belangrijkste groep ondernemers. Bovendien kende de Haarlemse brouwindustrie in de eerste helft van de 17de eeuw een grote expansie. Dix, breidde zijn brouwerij snel uit. Vermoedelijk naar een gevelsteen, die aan zijn vroegere beroep herinnerde, noemde hij pand ‘het Scheepje’. Het oudste deel ervan stamde uit deze tijd, de gevelsteen draagt het jaartal 1608. Deze werd verkocht. Een nieuwe brouwerij "het Scheepje’ tussen de huidige Houtmarkt en Oostvest, werd één van de grootste en modernste brouwerijen van Haarlem. Het gestegen aanzien van Dix blijkt uit zijn benoeming tot lid van de vroedschap bij de wetsverzetting door Prins Maurits op 25 oktober 1618. Nog in hetzelfde jaar werd Dix burgemeester, doch hij overleed reeds in mei 1619.
De weduwe van Dirck Dix zette als een goede zakenvrouw tot haar overlijden in 1631 de zaak voort. Familie en de nazaten zette het bedrijf succesvol  voort en  doorstond de brouwerij "het Scheepje" nog de stormen van het Napoleontische tijdvak en zelfs in de 19de eeuw. De laatste brouwer was F.H.W. van Alphen. Door de steeds toenemende concurrentie van groot bedrijven en gebrek aan middelen om te moderniseren sloot hij in 1913 zijn bedrijf. Aldus verdween een eeuwenoude Haarlemse Industrie.
Op 30 december 1916 werden de gebouwen onderhands verkocht aan kaasexporteurs de Firma Stuyt, nadat eerder het interieur van de brouwerij verdwenen was werd een gedeelte afgebroken om er kaaspakhuizen te bouwen.
Inmiddels is de buitenkant hersteld, het interieur zijn appartementen geworden, op 14 maart 2008 is de gevelsteen ‘het Scheepje’ geplaatst in de “nieuw” gebouwde gevels van Houtmarkt 5.

I Dirck Dircksz Dicx schipper van beroep koos in 1535 Haarlem als zijn domicilie, kocht in 1565 een huis waar hij een brouwerij begon. Daarnaast was hij Raad en burgemeester van Haarlem. Hij huwde in 1565 te Haarlem, Griete Cornelisdr Geltsack geboren in Haarlem 1540. Uit dit huwelijk een zoon: volg II

II Dirck Dircksz Dicx geboren 1570 te Haarlem. Huwde in 1595 met Cornelia Cornelisdr Jonck (1570-1630). Uit dit huwelijk zeven meisjes en twee zonen. Volg III

We vinden een dochter Claartgen Dircksdr 1605 terug op een kunstwerk van Johannes Cornelissz Verspronck geschilderd in 1642 als regentes van het Heilige Gasthuis te Haarlem(in bezit van het Frans Halsmuseum).

III Mr. IJsbrand Dickx geboren 6 januari 1610 te Haarlem Raad en burgemeester te Haarlem, huwde in 1640 Maria van der Camer (1613-1680)  burgemeestersdochter van Johan van der Camer. Uit dit huwelijk  5 dochters en drie zonen.
IJsbrand is overleden 20-11-1681 te Haarlem. Volg IV

Mr. IJsbrandt had zich de hofstede ‘Boekenrode’ te  Aerdenhout te verworven. Na zijn overlijden vererfde Mr. Diederick o.a. het landgoed. Hij laat er een Vinkenbaan aanleggen en een theehuis.

IV Mr. Diederick Dickx geboren in Haarlem1650. Overleden in 1719. Raad 1682, Schepen en burgemeester 1692, gecommiteerde Raad 1694, afgevaardigde ter Staten Generaal 1703, hoogbaljuw van Kennemerland in 1708.
Hij huwde in 1680 met Catharina de Neufville (1656-1683). Zij woonde aan de Herengracht 479. Amsterdam. Een dochter Maria Dickx (1681-1727)  geboren te Haarlem zij huwde met Mr. Francois Druyvesteijn.  Het tweede huwelijk  in 1690 met Maria van Assendelft 1666-1723, uit dit huwelijk drie kinderen: volg V

Mr. Diederick vinden we onder meer terug in de functie van Baljuw van Kennemerland, in het heersende conflict tussen de Protestanten en de Katholieken.
De Staten van Holland had de bewegingsvrijheid van de Katholieken flink ingeperkt dit door middel van plakkaten. Maar in de praktijk werd een en ander door de vingers gezien, tegen betaling aan de  baljuw.
Er ontstond betreffende het bedevaartoord te Heiloo woelingen, omdat grote stromen bedevaartgangers zich schuldig maakte aan bijgelovige praktijken, wat verboden was.
De Staten sommeerde de baljuw Mr. Diederick, hiertegen hard op te treden, dit  door middel van gevangenschap en hoge boetes.
De baljuw, verklaarde dat hij deze taak onmogelijk kon uitvoeren. De menigte was te groot en zou weerstand kunnen bieden en er zou zelfs een complot tegen zijn persoon bestaan.  Toch schijnt hij wel degelijk tot actie te zijn overgegaan.
De slachtoffers van die maatregelen  waren het volk, voerlieden die de pelgrims vervoerde en zelfs de paarden kregen het zwaar te verduren, de bedevaartsplek werd omgeploegd en ingezaaid.

V Diederik Dickx geboren 1691 Haarlem, vervulde vele functies in Haarlem, ongehuwd overleden in 1732. De twee dochters Catharina en Cornelia huwde beiden en speelden een grote rol in het voortbestaan van de brouwerij.


Gegevens Familie Backer.
Een Amsterdamse dynastie en patriciërsfamilie vanaf einde 15e eeuw. Sinds 1815 in de adelstand verheven.

In 1910 werd de Backerstichting te Amsterdam opgericht, met als doel de beschikking te verkrijgen over en het bijeenhouden van de verzameling van schilderijen, familieportretten, antiquiteiten en archiefstukken, behorende tot de nalatenschap van wijlen de heer Jr. Mr. Cornelis Henrick Backer. Ook bevindt zich daar het beroemde album, afkomstig van Willem Backer, daterende 17e en 18e eeuw, met gekopieerde portretten van een aantal familieleden, gedeeltelijk door bekende kunstenaars naar schilderijen gemaakt.
Deze verzamelingen berustten toen in het huis van de douairière Hoeufft Backer, Keizersgracht 567. Dit nog steeds bestaande pand is bijna 250 jaar familiebezit geweest. In 1942 is de nalatenschap ondergebracht in het Stedelijk Museum, daarna berustte het tot 1950, in het museum Willet Holthuijzen. Tot op heden is het in bruikleen afgestaan aan het Gemeente Archief  te Amsterdam.

Het eigenlijke familiearchief is afkomstig van de in 1953 uitgestorven tak, die haar naam ontleende aan een voorouder van moederszijde. De andere tak leeft nog voort.

I Willem Zijvertsz Backer geboren te Amsterdam in 1499-1536, enige zoon van Zijvert Claesz Backer 1475.
Was bierbrouwer ‘in de Passer’ aan het Kattengat. Regent Ouderzijdse Huiszittenhuis te Amsterdam.
Hij huwde in 1526 met Gheertge Jan Oomendr geboren te Amsterdam in 1497. Hieruit werd een zoon Willem geboren: volg II.
De familie van Gheertge behoorde tot de sacramentisten, een hervormingsbeweging die de betekenis van het Laatste Avondmaal minder strikt interpreteerde dan de Katholieke kerk. Gheertge zou haar man ruimschoots overleven Zij zette de brouwerij voort en stierf als een zeer vermogende weduwe in 1592, op 95 jarige leeftijd.


Willem Zijvertsz Backer                    Gheert Jan Oomensdr

II Willem Willemz Backer geboren in 1528 te Amsterdam huwde met Lijsbeth van Leuven (1543-1625). Uit dit huwelijk werden  vier kinderen geboren: Willem 1567-1582- Grietge geboren te Bremen 1571-1624 - Jacob geboren te Bremen 1572 -1647: volg III. Annetge 1574-1639. Willem droeg de bijnaam ‘rijcke backertgen’,  werd om geloofsredenen in 1569 door de Raad van Beroerten verbannen en zijn goederen verbeurd verklaard. Hij overleed in 1575 te Emden in Duitsland.

Willem Backer (het rijcke backertgen)        Lijsbeth van Leuven
In zijn rechterhand een geldzak

III Jacob Backer geboren 26 april 1572 te Bremen, overleden te Amsterdam 22 april 1643. Jacob werd voor het eerst Schepen te Amsterdam in 1610. In 1611 bij de oprichting van de bank voor kleine zaken en de vier leden van dit college. Na nog meermalen schepen te zijn geweest en ook andere regeringsambten te hebben bekleed, bracht hij het in 1632 tot het burgemeesterschap. Zo ook in  de jaren 1634, 35 en 40.
Van1637-1640 was hij gedeputeerde ter Staten-Generaal. Er is een brief van de dichter en toneelschrijver P.C.Hooft aan hem bewaard, vermoedelijk ten geleide van een exemplaar van  ‘Baeto, oft Oorsprong der Hollanders’ 1626. Het boek betreft een historisch treurspel, de hoofdpersoon is ‘Baeto’, die verbannen wordt, maar trouw blijft aan zijn principes. Gezien het verleden van het gezin waarin hij opgroeide is dit een mooie verwijzing. 
Hij bleef ongehuwd, de kinderen van zijn beider zusters namen zijn naam en wapen. Zijn oudere zuster Grietge huwde Cornelis Jorisz: volg IV. De jongste zus huwde de broer Joris Jorisz, stokviskoper.

IV Cornelis Jorisz Backer geboren te Amsterdam in 1554, haringkoper op de Nieuwendijk ‘In de Rooden Hoorn’, schepen en raad Amsterdam,  trouwde  in 1588 met de uit Bremen afkomstige Grietge Backer (1571-1624).  Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren die de naam Backer voerden, o.a. Willem  Volg V

V Willem Cornelisz Backer geboren te Amsterdam  in 1595. Luitenant der Schutterij en vijf maal burgemeester van Amsterdam. Bewindhebber van de VOC en benoemd in 1647 tot ridder van St. Marcus door de doge van Venetië: Francisco Molino. In 1527 trouwde hij met Bregitta Spiegel. Twee kinderen uit dit huwelijk. Cornelis Backer (1633-1681): volg VI en Margaretha Backer (1636-1673). Via zijn schoonouders erfde hij, naast een vermogen, ook de hofstede Nuyssenburch bij Overveen en een kavel in de Beemster. Sloot zich aan bij de machtige Calvinisten, die onder leiding stond van Reinier Pauw.
Betrokken bij de herbouw van de Nieuwe Kerk. De eerste steen wordt in 1647 gelegd door de dan 14jarige zoon Cornelis Backer.
Betrokken bij de bouw van het Nieuwe stadhuis van Jacob van Campen en Pieter Post.
In 1652 overleden en  begraven in de Oude kerk te Amsterdam.

VI Mr.  Cornelis Backer geboren in 1633 te Amsterdam huwde in 1655 met Christina le Gillon (1635-1658). Uit dit huwelijk twee zonen Mr. Willem Backer (1656-1731) – Mr. Gerard Backer (1657-1715) en een dochter Christina Backer (1658-1734). 
2e huwelijk met Catharina Raye geboren te Rouen (1641-1712).

Ter gelegenheid van dit huwelijk schreef Joost van der Vondel een bruiloftsgedicht:
Wie nooit proefde wat een vrouwe en haar vriendschap waardig is
Nooit de mond van zijn getrouwe kust, suft in duisternis
enzovoort
Uit dit huwelijk 6 kinderen: Mr. Jan Backer 1662-1748: volg VIIa - Mr. Laurens Backer 1664-1704: volg VIIb  Brigitta Catharina Backer 1670-1751 - Mr. Cornelis  Backer 1672-1707  Maria Eva Backer 1674-1732. Mr. Jacob Cornelis Backer 1675-1748. Heer van Wimmenum, Drossaard van de Stad en ’t Graafschap Buren en Dijkgraaf van de Lingedijk, huwde met de weduwe van Nicolaes Six, Emerentia Valckenier 1674-1727, vrouwe van Wimmenum, dochter van Wouter Valckenier en Anna Maria Trip. Mr. Backer  en zijn vrouw woonden aan de Herengracht 619.  Mr. Jacob was naar Engeland uitgeweken, na bij vonnis van Schepenen van Amsterdam d.d. 24 oktober 1730, ingevolge van de eis van zijn broeder, de Hoofdschout Mr. Jan Backer in wiens plaats optrad de President-Schepen Dirk van der Meer, bij verstek ten eeuwigen dage uit Holland en Westfriesland gebannen te zijn. Hij is overleden in Engeland.

VIIa Mr. Jan Cornelisz Backer geboren in 1662 te Amsterdam en overleden in 1748 te Amsterdam. Regent, vroedschap 1705-48. Hoofdschout 1726-1736. Raad in de Admiraliteit van Zeeland 1702-1726. Hij huwde in 1687 met Anna Catharina ten Grootenhuys (1690-1740). Uit dit huwelijk een dochter: Catharina Cornelia Backer (1688-1758), zij huwde met Mr. Hendrik Bicker (1682-1738) raad en burgemeester van Amsterdam  en voor de 2e maal met Willem Munter raad en burgemeester van Amsterdam. Een zoon Cornelis Jansz  Backer 1692-1766, huwde met Margaretha Bicker (1699-1757) in 1748,  velen nazaten volgden.

 




Mr. Laurens Backer 1664-1704


VIIb Mr. Laurens Backer geboren in 17 oktober 1664 te Amsterdam, studeerde te Amsterdam en promoveerde aldaar in de rechten. Vestigde zich daarna  te Rotterdam waar hij in 1692 benoemd werd tot lid van de vroedschap. Bleef ongehuwd.
Van 1694 tot 1700 was hij bewindhebber van de West-Indische Compagnie der Kamer Rotterdam, in 1695, 1699 en 1700 burgemeester. Tussen 1693 en 1702  meermalen gedeputeerde ter dagvaart (periodiek rapportage aan de vroedschappen) en van 1695-1699 en van 1702 tot zijn dood gecommitteerde raad. Overleden 25 april 1704 te Rotterdam.

Bronnen:
'Vestingwerken van Hellevoetsluis' door J.J. Walters uitgave van stichting historie Hellevoetsluis 1996.
Menno Baron van Coehoorn Albert Reinsstra  Franeker 2007.
Piet Hein en de zilvervloot. Dr. M.G. de Boer Amsterdam 1946.
Kroniek der Zeemacht onder red. Michel van Alphen en Anita van Dissel De Bataafse leeuw Amsterdam 2003.
Gedeelde Weelde Lisa Jardine Uitg. De Arbeiderspers Amsterdam 2008.
Wikipedia History.
De 'Víctorieuze’ zeeslag op Schoneveld  Dr. P.G. Vonk uitg. Koninklijke Bibliotheek Den Haag  particuliere uitgave.
Marineblad nummer 5 september 2013 jaargang 123  Dr. A.A. Lemmers N.I.M.H. te Den Haag.
‘Oorlog, mijn arme schapen’  P. de Graaf uitg.Van Wijnen 2004.
Genwiki.300 jaar handel in suiker 1695-1905 H.W.G. van Blokland-Visser.Wikipedia.
Biografisch woordenboek P. J. Blok en P.C. Molhuijsen uitg. Sijthoff 1927
fotomateriaal Rijksdienst voor Kunst-Historische Documentatie (RKD).
Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed
Collectie Museum Simon van Gijn Dordrecht.
Stichting Geveltekens Vereniging Haerlem  Dr. C. van Haar.
Beeldmateriaal Nationaal Archief Den Haag en Rijksmuseum Amsterdam
Archief van de auteurs.

 

Hellevoetsluis 21 februari 2014
auteurs : A.C. Pieké, J.C.H. Jansen.
redactie en foto bewerking: A.C. Pieké

 

Laatst aangepast (dinsdag, 31 oktober 2017 15:20)